Centraal plaatsen van de belangen van de plaatselijke bevolking bij het beheer van de natuurlijke rijkdommen: transparantie, verantwoordingsplicht en rechtsbescherming

Dit artikel is overgenomen van het jaarverslag 2021 van Avocats Sans Frontières.

ASF is sinds 2018 actief in de Democratische Republiek Congo (DRC) rond het beheer van natuurlijke rijkdommen.

Onze activiteiten focussen zich hierbij voornamelijk op 3 regio’s, in de provincies Ituri en Haut-Uele werken we rond de mijnbouwsector, en in de provincie Kongo central rond de sector van de koolwaterstofwinning.

De acties van ASF en onze partners in deze drie provincies zijn gebaseerd op de strijd tegen corruptie en mensenrechtenschendingen veroorzaakt door de activiteiten van de ontginningsindustrie. Deze actie krijgt voornamelijk vorm door middel van drie soorten activiteiten.

 (i) ASF en onze partners zetten bewustmakings- en informatiecampagnes op voor de naburige gemeenschappen over hun procedurele en materiële rechten, alsook over de milieu-uitdagingen als gevolg van de ontginning van natuurlijke rijkdommen.

(ii) De leden van de getroffen gemeenschappen worden aangemoedigd deel te nemen aan het beheer van de natuurlijke rijkdommen in hun gebied en hun vertegenwoordigers aan te spreken zodat de beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht worden nageleefd.

(iii) ASF en onze partners versterken de bescherming van de rechten van naburige gemeenschappen door het voorkomen en oplossen van conflicten in verband met de ontginning van natuurlijke rijkdommen.

Recente ontwikkelingen in de wetgeving ondersteunen dit. In 2015 werd er een wet op de algemene regeling voor koolwaterstoffen aangenomen. Dit verplicht oliemaatschappijen om rekening te houden met de rechten en het welzijn van plaatselijke gemeenschappen en een duurzaam milieubeheer in acht te nemen. In 2018 werd een wet aangenomen om de rechten van plaatselijke gemeenschappen die door de mijnbouwsector worden getroffen, te versterken. Ze beoogt regelgevingsmechanismen in te voeren om de negatieve gevolgen van mijnbouwprojecten voor de mensenrechten te verminderen en ervoor te zorgen dat de plaatselijke bevolking kan genieten van de economische voordelen van de mijnbouw door de financiering van verschillende ontwikkelingsprojecten voor de plaatselijke gemeenschap.

Er bestaat in de DRC dus een stevige wettelijke basis voor een beter transparant beheer van de natuurlijke rijkdommen dat de mensenrechten en het milieu eerbiedigt, maar deze wetten hebben nog niet de verwachte resultaten opgeleverd.

Daarom doet ASF ook aan pleitbezorging bij plaatselijke en nationale beleidsmakers. In 2021 werden verschillende pleitbezorgingsacties uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de compensatie voor de milieuschade die het gevolg is van de ontginningsactiviteiten, daadwerkelijk aan de plaatselijke gemeenschappen wordt betaald.

Migratie, een belangrijk strategisch vraagstuk

Mer Méditerranée

Dit artikel is overgenomen van het jaarverslag 2021 van Avocats Sans Frontières.

Sinds 2014 kwamen meer dan 20.000 mensen om het leven toen ze de Middellandse Zee richting Europa probeerden over te steken. Een van de belangrijkste oorzaken van deze hoge tol aan mensenlevens is de beslissing van de Europese lidstaten om de veilige en legale routes naar Europa te sluiten.

Dit beleid wordt in de hand gewerkt door een groeiende intolerantie ten aanzien van migratie, een verharding van de repressie van vreemdelingen, die als een bedreiging van de nationale veiligheid worden beschouwd, en de steeds autoritairder wordende drang van de Europese landen. Om deze redenen maakte het bureau van ASF in Tunis van migratieproblematiek één van haar strategische prioriteiten.

In 2021 startte de organisatie een gezamenlijke actie op met het Tunesische forum voor economische en sociale rechten (FTDES) en de Vereniging voor juridisch onderzoek over immigratie (ASGI), met als doel Tunesische slachtoffers van gedwongen repatriëring uit Italië bij te staan. Dankzij deze bijzondere positie kan het team van ASF in Tunesië zorgen voor relevante en gecontextualiseerde expertise op basis van gegevens die op het terrein werden verzameld en die verband houden met de strategieën van de organisatie inzake belangenbehartiging.

Samen met haar partners spant ASF zich in om via juridische consultaties informatie in te winnen die de kennis en het begrip verbeteren van de controlemechanismes die leiden tot de systematische repatriëring van Tunesiërs uit Italië. Uit de verzamelde gegevens blijkt dat er een discriminerend systeem ten opzichte van Tunesiërs bestaat, waardoor ze hun recht op vrij verkeer niet kunnen uitoefenen. Erger nog, de detentie in hotspots en repatriëringscentra zorgt ervoor dat ze vast komen te zitten in een toestand van grote economische, fysieke en psychologische onzekerheid, waardoor hun kansen op herintegratie in Tunesië worden ondermijnd.

Het toezicht op de detentieomstandigheden in hotspots en repatriëringscentra maakt deel uit van een “grenzeloze” aanpak die het arbitraire en contraproductieve karakter van het migratiebeleid van de Europese lidstaten aan de kaak stelt. In alle fasen van hun migratieparcours worden de migranten blootgesteld aan mishandeling en diverse vernederende praktijken. Dit beleid is des te ondoeltreffender omdat de meeste gerepatrieerde migranten zullen proberen opnieuw de Middellandse Zee over te steken. ASF roept de Europese lidstaten op om hun verplichtingen na te komen en een humaan en mensenrechtenvriendelijk migratiebeleid in te voeren.

Indonesië: 5 jaar strijden voor toegang tot rechtspraak

In 2017 startte ASF haar activiteiten in Indonesië op, samen met twee lokale partners. Samen streefden we ernaar om de toegang te verbeteren tot zowel formele als informele rechtsmechanismen voor gemarginaliseerde en groepen in kwetsbare situaties door middel van een verbeterde dienstverlening voor de gemeenschap. Zo hebben we specifiek aandacht besteed aan de opleiding en ondersteuning van parajuristen, zodat ze de plaatselijke bevolking kunnen bijstaan in hun behoeften op het gebied van rechtspraak.

In landen met zeer weinig advocaten per hoofd van de bevolking, zorgen parajuristen die niet over een rechtendiploma beschikken, maar wel over een grondige basiskennis van het recht en het nodige inzicht in het rechtssysteem, voor juridische ondersteuning en advies voor de bevolking. ASF heeft in verschillende van haar landen waar ze actief is met parajuristen gewerkt, omdat ze een fundamentele rol kunnen spelen bij het ondersteunen van de plaatselijke bevolking om toegang te krijgen tot rechtspraak.

Bij de start van het project werd een perceptiestudie uitgevoerd over parajuristen en de rol die ze kunnen spelen bij het verbeteren van de toegang tot rechtspraak. De bevindingen werden gebruikt om opleidingsmodules voor te bereiden. Deze modules werden vervolgens door verschillende plaatselijke organisaties gebruikt om de vaardigheden van deze parajuristen te versterken. Ze bestrijken een groot aantal onderwerpen, met een variabele thematische en geografische dekking, waardoor ze flexibel en nuttig zijn voor een groot aantal organisaties. Onze partners hebben ondervonden dat ze een belangrijke rol spelen bij de ondersteuning van de opzet van de plaatselijke verordening inzake rechtsbijstand in Bali in 2019.

In het kader van het project werden drie digitale platformen gelanceerd om organisaties uit het maatschappelijke middenveld te ondersteunen.

Verder werd er een case management systeem opgezet dat nu door verschillende organisaties gebruikt wordt om de zaken waaraan ze werken in een databank te beheren. Dit systeem werd ontwikkeld in open source, zodat elke rechtsbijstandsorganisatie dit vrij kan gebruiken. 

Het Paralegal Information System werd opgezet om de parajuristen te helpen bij het aanvragen en ontvangen van juridische ondersteuning van advocaten om hen te helpen bij de zaken waaraan ze werken.

Tot slot werd er nog een toepassing gecreëerd, E-resource genaamd, om rechtsbijstandsverleners toegang te geven tot boeken en andere bronnen.

Ter ondersteuning van de pleitbezorging werd een praktijkgemeenschap opgericht met meerdere stakeholders die zich met rechtsbijstand bezighouden. Dit gaf de leden de gelegenheid om te debatteren over toekomstige noodzakelijke wetgevende hervormingen.

Tijdens die 5 jaar in Indonesië konden we, samen met onze partners, belangrijke conclusies trekken met betrekking tot de toegang tot rechtspraak in de regio. Ten eerste valt niet te ontkennen dat parajuristen een essentiële rol spelen bij het bijstaan van de plaatselijke bevolking in hun rechtsbijstandsbehoeften. Hun status moet dan ook verder erkend worden door de lokale en nationale overheden. Ten tweede is de opzet van flexibele opleidingsmodules met de mogelijkheid om het materiaal te kiezen gemakkelijker te ontplooien en verdient dit de voorkeur ten opzichte van een vast leerplan. Ten slotte is het gebruik van digitale platformen ter versterking van de organisaties in het maatschappelijke middenveld weliswaar veelbelovend gebleken, maar de uitvoering ervan bleek zeer duur en tijdrovend te zijn. Dit moet eigenlijk op maat gemaakt worden voor elke organisatie, wat maanden van besprekingen kan vergen. Om het voortbestaan te kunnen garanderen moeten er bovendien voldoende middelen gevonden worden voor het onderhoud en de ondersteuning door een IT-medewerker.

Persbericht: Arrest van het Internationaal Gerechtshof in de zaak DRC/Oeganda: zorgen voor een plaats voor de slachtoffers bij de uitvoering van het herstelbevel

Op 9 februari 2022 veroordeelde het Internationaal Gerechtshof Oeganda tot betaling van een schadevergoeding van 325.000.000 dollar aan de Democratische Republiek Congo (DRC) voor de schade die aan mensen, eigendommen en natuurlijke hulpbronnen is toegebracht tijdens de militaire interventie van Oeganda in de DRC tussen 1998 en 2003.  Dit volgt op de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 2005, waarin het Oeganda verantwoordelijk achtte voor de schending van het beginsel van non-interventie bij zijn (directe en indirecte) militaire acties in deze periode.

In dit arrest stelde het Hof vast dat de Oegandese strijdkrachten zich schuldig hadden gemaakt aan “moord, foltering en andere vormen van onmenselijke behandeling van de Congolese burgerbevolking, verwoesting van burgerdorpen en -gebouwen, geen onderscheid hadden gemaakt tussen burgerlijke en militaire doelen en de burgerbevolking niet hadden beschermd in gevechten met andere strijders, kindsoldaten hadden opgeleid, etnische conflicten hadden aangewakkerd […] en daden van plundering en exploitatie van Congolese natuurlijke rijkdommen hadden begaan”.

Het arrest over herstelbetalingen is een belangrijke stap voorwaarts in de erkenning door de internationale justitie van het recht op herstelbetalingen voor oorlogsslachtoffers in de DRC. Deze uitspraak bevestigt tevens de verplichting van de bezettende machten om de schade te vergoeden die het gevolg is van hun directe en indirecte acties, die in strijd zijn met het internationaal recht. 

Hoewel de schadevergoeding veel lager is dan de 11 miljard dollar die door de DRC geëist werd, is het toch de grootste schadevergoeding voor massale schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht die tot nu toe door een internationaal hof toegekend is.

We zijn ook verheugd over het feit dat het Hof geen strikt verband heeft geëist tussen herstelbetalingen en het aantonen van specifieke schade. In het arrest erkent het Hof dat de bijzondere context van de conflicten in de DRC grote problemen heeft opgeleverd voor de vaststelling van de feiten, wegens het grote aantal slachtoffers en de betrokken strijdende partijen, alsmede wegens de vernietiging en de ontoegankelijkheid van bewijsstukken.

We betreuren evenwel dat het Hof enigszins ondoorzichtig is geweest over de methode die is toegepast (i) bij de beoordeling van het bewijsmateriaal dat het als voldoende bewijskrachtig heeft aanvaard en (ii) bij de vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding.

Het Hof heeft er ook voor gekozen de schadevergoeding toe te kennen als een forfaitair bedrag in plaats van afzonderlijk. Dit betekent dat de DRC in feite wordt opgezadeld met de moeilijke taak om te bepalen hoe de toegekende herstelbetalingen eerlijk verdeeld moeten worden.

We zijn ook opgetogen over het voornemen van de Congolese autoriteiten om voor dit doel een fonds voor de schadeloosstelling van slachtoffers op te richten. Het zal van essentieel belang zijn de slachtoffers en de verenigingen van slachtoffers nauw te betrekken bij de ontwikkeling van een methode om de begunstigden te identificeren en de modaliteiten van deze herstelbetalingen vast te stellen.

We roepen de Congolese autoriteiten tevens op een alomvattend en samenhangend herstelbeleid te ontwikkelen om tegemoet te komen aan de behoeften van alle slachtoffers van mensenrechtenschendingen tijdens de vele conflicten in de DRC, en ervoor te zorgen dat de door Congolese hoven en rechtbanken gedane uitspraken inzake herstelbetalingen uitgevoerd worden.

Dit besluit is ook een duidelijk signaal aan de Congolese autoriteiten: de tijd vaagt de ernstige schendingen van de mensenrechten in de DRC niet weg. 

Ten slotte betreuren we het dat het Hof heeft besloten de zaak niet verder te behandelen tot de definitieve betaling van de herstelbetalingen. Gezien het gebleken onvermogen van de DRC en Oeganda om tot een wederzijds akkoord over de kwestie van de herstelbetalingen te komen en gezien de afwijzing door Oeganda van de arresten van het Internationaal Gerechtshof, zou een mechanisme om de naleving van het arrest van het Hof na de uitspraak te waarborgen, wenselijk geweest zijn.

We doen een beroep op de Oegandese regering om op constructieve wijze met de Congolese autoriteiten over deze kwestie van gedachten te wisselen en zich volledig te voegen naar het herstelbevel van het Internationaal Gerechtshof.

Nu de betrekkingen tussen de DRC en Oeganda verbeteren, zijn we ervan overtuigd dat een snelle uitvoering van de beslissing van het Internationaal Gerechtshof inzake herstelbetalingen kan bijdragen tot het herstel van de betrekkingen tussen beide landen.

Moordpartijen in Djugu: belangrijke evolutie in de Congolese rechtspraak rond herstelbetalingen met zware veroordelingen voor de verdachten

Het Djugu 2-proces eindigde op 1 april 2021. Het proces werd afgesloten met de veroordeling van 21 beklaagden tot levenslange gevangenisstraffen wegens misdaden tegen de menselijkheid door middel van moord, brandstichting, vernieling, plundering en vervolging, en met de vrijspraak van 11 beklaagden. De 219 burgerlijke partijen kregen ook de meeste van hun eisen voor herstelbetalingen toegewezen, zowel individueel als collectief, met inbegrip van rehabilitatiemaatregelen, waardoor gebroken werd met de praktijk om enkel schadevergoeding toe te kennen.

Ook werd terugbetaling bevolen als individuele schadevergoeding. Het militaire tribunaal van Ituri heeft de DRC onder meer veroordeeld tot de oprichting van een gezondheidscentrum in elk dorp voor de medische en psychologische verzorging van de slachtoffers, tot het nemen van maatregelen om de onvindbare lichamen op te sporen, tot het voorzien van middelen voor de slachtoffers om hun rouwproces te organiseren, tot de oprichting van een monument in elk aangevallen dorp en tot passende maatregelen om een einde te maken aan de activiteiten van de gewapende groep CODECO. Dit is een bijzonder relevante combinatie van de verschillende herstelmaatregelen waarin het internationaal recht voorziet, namelijk compensatie, teruggave, rehabilitatie, genoegdoening en garanties dat niet tot herhaling overgegaan wordt.

Dit vonnis is een belangrijke stap in de strijd tegen de straffeloosheid in Ituri, een regio die het schouwtoneel is van ernstige spanningen tussen gemeenschappen en etnische groeperingen. Dit proces heeft voornamelijk betrekking op de misdaden die de gewapende groep “Coopérative pour le Développement du Congo” (CODECO) beging tegen de Hema-gemeenschap op het grondgebied van Djugu, tussen december 2017 en maart 2020. CODECO beweert de belangen van de Lendu-gemeenschap (landbouwers) te verdedigen tegen die van de Hema-gemeenschap (fokkers en handelaars). De CODECO-militie heeft haar aanvallen in de regio’s Djugu, Irumu en Tchomia opgedreven na de dood van haar leider Matthieu Ngudjolo[1] en de arrestatie van zijn voornaamste luitenants.

Het Djugu 2-proces had betrekking op misdrijven die tussen december 2017 en maart 2020 in deze gebieden gepleegd werden. De verdachten werden ervan beschuldigd verschillende wijdverbreide en systematische aanvallen op de burgerbevolking te hebben uitgevoerd, waarbij meer dan 800 mensen gedood werden, meer dan 400 huizen in brand gestoken werden en 200.000 mensen verdreven werden.

Deze beslissing is een krachtig signaal aan het adres van de gewapende groepen die in de regio opereren en de rechten van de burgerbevolking blijven schenden, alsook aan de Congolese staat, wiens verantwoordelijkheid ook door het tribunaal erkend wordt. De DRC is dus veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding in solidum omdat zij gefaald heeft in haar opdracht om de bevolking te beschermen.

Bijna alle slachtoffers, getuigen en informanten hebben melding gemaakt van de aanwezigheid van de Congolese nationale politie en de strijdkrachten van de Democratische Republiek Congo op de plaatsen waar de aanvallen en andere laakbare feiten waarvan de verdachten beschuldigd worden, gepleegd zijn.

Het proces is gevoerd overeenkomstig de wet en de beginselen van een eerlijk proces, met name de wettelijke termijnen, ondanks de moeilijkheden in verband met de aanhoudende onveiligheid als gevolg van de aanwezigheid van CODECO in de omgeving van Iga Barrière.

Dit vonnis betekent echter niet het einde van de gerechtelijke procedure voor de slachtoffers in deze zaak. Slachtoffers krijgen zeer zelden de schadevergoeding waarop zij recht hebben. De procedure voor de tenuitvoerlegging van andere vormen van schadevergoeding is dus verre van duidelijk. De uitdaging is nu ervoor te zorgen dat :

  • de behoeftigheid van de slachtoffers erkend wordt en dat zij vrijgesteld moeten worden van de kosten in verband met de voorbereiding van de zaak en de tenuitvoerleggingsprocedure;
  • de administratieve en gerechtelijke autoriteiten overgaan tot de voorbereiding van de tenuitvoerlegging van de beslissing;
  • de administratieve en gerechtelijke autoriteiten overgaan tot de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het vonnis;
  • de slachtoffers tijdig en op doeltreffende wijze de schadevergoeding ontvangen waarop zij recht hebben.

De rol van ASF in deze zaak

Als prioritaire zaak in de prioriteringsstrategie voor Ituri vereiste dit proces de inzet van partners voor justitiële ondersteuning, waaronder Advocaten Zonder Grenzen (ASF), dat vanaf het begin bij het proces betrokken is geweest. ASF heeft documentatie en steun verleend aan de slachtoffers via een plaatselijke middenveldorganisatie en juridische bijstand aan de burgerlijke partijen via drie advocaten uit haar pool voor Internationaal Strafrecht. ASF heeft ook de nodige materiële en/of financiële bijstand verleend opdat de slachtoffers in alle veiligheid aan het proces konden deelnemen. Om zich ervan te vergewissen dat het proces volgens de wet en de beginselen van een eerlijk proces verloopt, heeft ASF ook een onafhankelijke waarnemer aangesteld, wiens verslagen beschikbaar zijn op het observatieplatform van belangwekkende rechtszaken van ASF.

[1] . Mathieu Ngudjolo is door het Internationaal Strafhof berecht en vrijgesproken voor feiten die hij in 2002 en 2003 in Ituri gepleegd heeft.

Patrick Henry : “We moeten ons ervan bewust zijn dat in een groeiend aantal landen het begrip ‘mensenrechten’ zelf betwist wordt.”

Dit interview werd oorspronkelijk gepubliceerd in het Journal des Tribunaux (maart 2021)

Advocaten zonder grenzen maakt zich op om haar 30ste verjaardag te vieren. De Journal des Tribunaux staat samen met de nieuwe voorzitter van ASF, Patrick Henry, stil bij de geschiedenis van de organisatie en de bijzondere band die de organisatie heeft met de Belgische advocaten en balies.

Van harte gefeliciteerd met uw recente benoeming aan het hoofd van de raad van bestuur van ASF. De organisatie is sinds haar oprichting sterk veranderd. Wat was de plaats van de advocaat binnen de organisatie in de begindagen?

De advocaat heeft altijd een centrale rol gespeeld in het werk van ASF. De organisatie werd in 1992 trouwens opgericht door een groep Belgische stafhouders en advocaten, onder leiding van de stafhouder Pierre Legros[1]. Binnen haar eerste ontwerp had ASF als doel om Belgische en Europese advocaten in staat te stellen om naar het buitenland te trekken om de justitiabelen te gaan verdedigen in “gevoelige” dossiers waarbij de toegang tot een onafhankelijke advocaat vaak in het gedrang kwam. De advocaten traden dus op in tal van landen zoals Cuba, Palestina, Brazilië, Turkije, Rusland, Marokko, Sierra Leone, Bolivia, enz. Vandaar natuurlijk de naam van de organisatie.

Het mandaat van de organisatie veranderde al snel, waarom?

De genocide in Rwanda zorgde voor een eerste keerpunt. Dit was voor iedereen een grote schok. ASF had reeds in 1994 een programma opgezet om het schrijnende tekort aan opgeleide advocaten proberen op te vangen. Dit leek van fundamenteel belang, zowel voor de slachtoffers, als voor de beschuldigden. Binnen een menselijke context die even cruciaal als dramatisch was, moest men de beginselen van een eerlijk proces en de eerbiediging van de internationale normen kunnen waarborgen.

Op dat moment begon ASF zich te interesseren voor het internationale strafrecht, evenals voor de rol van justitie in postconflictgebieden. Onderwerpen die sindsdien centraal staan binnen het werk van de organisatie.

Voor ASF kwam deze verandering van aanpak vrij snel, want slechts twee jaar na haar oprichting breidde ze reeds haar actieterrein uit door technische en juridische versterking toe te voegen aan de onmiddellijke bijstand.

En dit actieterrein blijft maar groeien. Momenteel wil ASF bijdragen tot de totstandkoming van een meer rechtvaardige, evenwichtige en solidaire samenleving, waarin recht en rechtspraak ten dienste staan van kwetsbare groepen en mensen en waarin de rechtstaat zich baseert op de mensenrechten.

In de loop der jaren is de rechtspraak een middel geworden om deze doelstellingen te bereiken. Vandaag werkt ASF samen met een veelheid aan nationale en internationale spelers: middenveldorganisaties, justitiële spelers, lokale en nationale overheden, maar ook academici, vertegenwoordigers van gemeenschappen en, uiteraard, de bevolking zelf.

Op welke manier vormen deze spelers een aanvulling op de advocaten?

De advocaat blijft centraal staan binnen de visie van ASF, maar heel wat andere spelers bleken ook essentieel te zijn voor het bereiken van onze doelstellingen in de landen waar we actief zijn.

Laten we het voorbeeld nemen van de Centraal-Afrikaanse Republiek. De balie telt er slechts een honderdtal advocaten voor ongeveer 4.500.000 inwoners. De overgrote meerderheid van de advocaten hebben hun praktijk trouwens in Bangui, de hoofdstad. In de meer afgelegen gebieden zijn de formele juridische instanties dan ook grotendeels afwezig. Nochtans zijn er ook daar conflicten, net zoals overal, die opgelost moeten worden. Hoe? Door een beroep te doen op de informele instanties: de mensen gaan naar dorpshoofden of buurtverantwoordelijken, religieuze leiders, politieagenten, wijzen,… Deze mechanismen zijn onontbeerlijk in deze gebieden om een escalatie van geweld tegen te gaan, maar enkel een beroep kunnen doen op deze manier van conflictbeheersing garandeert helemaal geen onpartijdige behandeling van de justitiabelen. We moeten daarom voorkomen dat ze zich eenvoudigweg in de plaats stellen van de nationale rechtbanken. Anders zal er onrechtvaardigheid heersen. Het is daarom nodig dat we op deze verschillende spelers kunnen rekenen en kunnen zorgen voor de juiste samenhang binnen hun interacties.

De advocaten hebben op dat vlak een grote rol te spelen. Iets wat ze in heel wat landen doen door, naast hun juridische bijstand en vertegenwoordiging bij de rechtbank, ook bemiddelings-, informatie- en adviesdiensten aan te bieden aan de plaatselijke spelers. De opleiding van parajuristen die de mensen helpen om zich bewust te worden van hun rechten en om hen te helpen om hun rechten te laten gelden, biedt dan ook heel wat perspectief. Daar waar het recht niet alleen in de rechtbanken beoefend wordt, moet de verdediging overal aanwezig zijn. Zowel daar, als hier geldt dit!

ASF streeft dus naar een meer holistische aanpak?

Inderdaad, door de partners uit te breiden, kunnen we problemen structureel aanpakken en vergroten we onze kansen om duurzame veranderingen tot stand te brengen die een reële impact hebben op het leven van de justitiabelen, maar op de rechtstaat, de toegang tot rechtspraak en de vermindering van de ongelijkheden.

Onze aanpak is ook een stuk globaler geworden. We kijken niet alleen meer naar de landen in het zuiden. De onderwerpen waarrond we werken – zoals detentie, de inperking van de civiele ruimte, de bedreiging van de individuele vrijheden, enz. – zijn kwesties die ons allemaal aangaan. Het is belangrijk om op deze manier hierover na te denken. Hierdoor hebben we onlangs transversale projecten uitgewerkt. In 2020 stonden we in voor de monitoring van de impact van de preventiemaatregelen genomen in het kader van de pandemie op de individuele vrijheden, zowel in België, als in onze interventielanden. En de vaststellingen liggen vaak een stuk dichter bij elkaar dan men zou kunnen denken.

We volgen ook van nabij de werkzaamheden van de Bijzondere Kamercommissie die zich buigt over het koloniale verleden van België. Wat is de impact ervan op onze huidige samenleving? Hoe kunnen we zorgen voor de verzoening die nodig is voor een gezonde relatie tussen deze landen, hun bevolking en hun diaspora, waarbij de overheersingsdynamiek niet herhaald wordt?

Dit is interessant want dit project sluit zeer nauw aan bij de thema’s van internationaal strafrecht en transitionele justitie waarrond we al zeer lang werken.

Wat wenst u voor de toekomst van ASF?

De dynamiek behouden, terwijl we rekening blijven houden met de evoluerende contexten waarin we leven; zoeken naar hefbomen waarmee we echt tegen het onrecht in de wereld kunnen strijden. De gezondheidscrisis heeft bepaalde veranderingen versneld. We moeten ze zien als kansen. De digitalisering, de opzet van praktijkgroepen, het delen van expertise, de globale aanpak van bepaalde onderwerpen, de positie van het noorden, enz. dit zijn allemaal thema’s waarrond ASF al jaren werkt, maar we hebben vooral in 2020, door de omstandigheden, veel vooruitgang hierrond geboekt. Dankzij nieuwe samenwerkingsverbanden, nieuwe benaderingen,… kunnen we relevant blijven door het mandaat van onze organisatie als richtlijn aan te houden.

We moeten ons er ook van bewust zijn dat, in een groeiend aantal landen, het begrip ‘mensenrechten’ zelf betwist wordt, en als een ‘kapitalistisch-kolonialistisch’ product afgedaan wordt. Dit zou een keerpunt kunnen zijn. Heel wat landen zijn opgehouden om proberen te rechtvaardigen dat ze de normen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens naleven (die ze vandaag de ‘vertaling van het voldane egoïsme van de Westerse rijken’[2] noemen). Momenteel betwisten ze deze door ze ronduit te verwerpen. Voor hen betekenen individuele rechten slechts een ongecontroleerde groei van verlangens, die onze democratieën doen vervallen in een logica van eindeloze eisen die ze onbestuurbaarheid of onpolitiek[3] noemen.

Sommigen kondigen de dood van de mensenrechten[4] aan. Dit discours is niet alleen fout. Door sommige van onze excessen, geven we er gestalte aan. Toch moeten we ons ervan bewust zijn dat het slecht een verlangen naar hegemonie, onderdrukking en onderwerping verbergt.

Dit is een belangrijke uitdaging voor onze samenlevingen. Om aan te tonen dat gelijkheid, solidariteit, waardigheid, vrijheid, de rechtstaat, rechtvaardigheid voor iedereen,… universele waarden zijn. Dat ze gelden voor iedereen, niet alleen voor blanke, mannelijke en christelijke Europeanen.

Het is een uitdaging die ASF wil aangaan. Hopelijk met zoveel mogelijk van jullie erbij.

Laten we samen verder strijden.

[1] Naast Pierre Legros, werd het voorzitterschap van ASF ook waargenomen door Bavo Cool, Luc Walleyn, Marc Nève, Liven Denys, Hafida Talhaoui en Eddy Boydens.

[2] A. BADIOU, L’éthique. Essai sur la conscience du mal, Caen, Nous, 2003.

[3] J. FREUND, Politique et impolitique, Sirey, 1987.

[4] J. LACROIX en J.-Y. PRANCHERE, Le procès des droits de l’homme, Seuil, 2016, Zie ook https://www.huffingtonpost.fr/entry/la-politique-des-droits-de-lhomme-est-elle-definitivement-morte-dans-le-monde_fr_5dde812fe4b0d50f329a7

Binnen de muren – Omar Ben Amor (Art acquis) : “Toegang tot cultuur voor alle gedetineerden op elk moment”

Binnen de muren – Walid Bouchmila (Horizon d’Enfance) : « Wanneer we een project in een gevangenis willen opstarten, mogen we niemand vergeten. »

Maak kennis met de vereniging Art Acquis, die in Tunesië werkt met gedetineerden. In haar project Perspectives, gesteund door ASF en ATL MST SIDA Bureau National, zet de vereniging kunst in als therapie. Via de verschillende activiteiten tracht men de gedetineerden te helpen om over hun ervaringen te praten, om zich constructief bezig te houden tijdens hun detentie en om hun re-integratie in de maatschappij aan te moedigen.

Kunt u zichzelf even voorstellen, alsook wat Art Acquis precies doet?

Ik ben Omar Ben Amor, kunstenaar en stichtend lid van de vereniging Art Acquis. Ik heb 6 jaar ervaring in het maatschappelijke middenveld, als choreograaf, regisseur, producer bij de regionale radio Diwan FM, regisseur van documentaires, …

Art Acquis is een culturele en artistieke vereniging die in 2016 opgericht werd door een groep kunstenaars. Ons belangrijkste doel is de maatschappelijke ontwikkeling van kwetsbare bevolkingsgroepen door middel van kunst en cultuur. We waren de regionale organisatoren van het Forum Jeunesse de l’Institut Français in Sfax, we waren gastheer voor de Journées Cinématographiques de Carthage in 2017. We waren in 2016 ook partners van “Sfax, hoofdstad van de Arabische cultuur“.

Art Acquis werkt veel met kwetsbare bevolkingsgroepen rond onderwerpen die vaak taboe zijn; met altijd het achterliggende idee om met gedetineerden in gevangenissen te werken. In het begin zagen we dit als praktisch onmogelijk, totdat we de Journées Cinématographiques de Carthage in Sfax steunden met een vertoning in de gevangenis.

Wat me opviel was het niveau van het debat: het ging veel verder dan de inhoud, we spraken over de productie, het geluid, … Na deze vertoning zeiden we tegen onszelf dat we iets groters moesten doen dan dat. En toen kregen we de kans voor het project.

Wat doet Art Acquis precies in een detentieomgeving?

We hebben vier soorten workshops georganiseerd: theater, film, schilderkunst en beeldende kunst, en muziek. We verdeelden dit in drie fasen, steeds met het transversale idee om rond kunst te werken als een vorm van therapie. Tijdens de workshop ‘theater’ hebben we bijvoorbeeld gewerkt rond de communicatietechnieken die het theater biedt (spreken in het openbaar, enz.); in de tweede fase werkten we rond de grondbeginselen van het theater en in de derde fase hebben we gewerkt aan een script voor een toneelstuk. We hebben zelfs de gevangenis kunnen verlaten met de deelnemers om te werken op een podium in een theater in Sfax. Het was de eerste keer dat gedetineerden de gevangenis mochten verlaten.

Tijdens de workshop ‘muziek’ hebben we gewerkt rond het schrijven van muziek, de grondbeginselen van muziek en de muziekproductie. We verzamelden de liedjes en legden ze voor aan het Comité Général des Prisons et de la Rééducation (CGPR), dat ons aanbood op te treden tijdens de Journées Musicales de Carthage. We verwachten nog een verdere opvolging hierrond.

Voor de workshop ‘film’ hadden we het idee om gedetineerden toegang te geven tot juridische informatie. We organiseerden verschillende sessies volgens hetzelfde stramien: een thema, een film, een moderator die gespecialiseerd is in film en een jurist. Zo hebben we bv. illegale migratie aangekaart, wet 52 [wet op drugsgebruik en drugshandel].

Met de vrouwen hebben we een workshop rond ‘schilderkunst en beeldende kunst’ georganiseerd. We werkten rond conceptuele kunst: hoe ga je naar 3D, hoe maak je een sculptuur… Daarna creëerde elke vrouw haar eigen project, kijkend naar het parcours dat haar naar de gevangenis geleid had. We hopen te kunnen exposeren in Soussa en Tunis, maar we hebben reeds een tentoonstelling gehouden in Sfax. De emoties die naar boven kwamen, waren indrukwekkend, verschillende mensen huilden…

We organiseerden ook de opnames voor een documentaire. Het oorspronkelijke idee bestond erin om hoop te geven door drie ex-gedetineerden te filmen die uit de gevangenis kwamen en er iets van maakten. Maar toen we begonnen te filmen, besefte ik dat het een grote leugen zou zijn om enkel over successen te praten. Uiteindelijk hebben we besloten een onderzoeksgerichte film te maken: stilstaan bij ‘re-integratie’, maar wel vanuit alle invalshoeken. We hebben gesproken met deskundigen, met mensen die er niet in “geslaagd” zijn en die opnieuw in de fout gegaan zijn, met mensen die erin geslaagd zijn te re-integreren, met mensen die geprobeerd hebben naar Italië te vertrekken… We hebben veel materiaal en nu zijn we de montage aan het voorbereiden. In de film hebben we heel wat taboes aangekaart, maar uiteindelijk eindigen we met oplossingen, perspectieven…

Tenslotte hebben we ook de gelegenheid gehad om met ARTE [een Frans-Duitse televisiezender] samen te werken. Zij vroegen mij over het project te spreken, omdat zij een onderwerp over gewelddadig extremisme aan het voorbereiden waren en dit wilden behandelen samen met detentie in Tunesië en re-integratie. ARTE heeft gevraagd ons te vergezellen bij een filmopname met de gedetineerden; zij zijn de tentoonstelling komen filmen waarover ik het had. ARTE heeft me inmiddels teruggebeld, ze willen nog meer filmen rond het project dat we met Art Acquis doen: ze waren zeer geïnteresseerd.

Waarom denkt u dat het nodig is dit project uit te voeren?

Dit project is noodzakelijk omdat de situatie in de gevangenissen in Tunesië catastrofaal is. Mensen willen niets horen over gevangenissen. Maar ze weten niet dat de misdaadcijfers, illegale emigratie, gewelddadig extremisme, … het resultaat zijn van mensen die vrijkomen zonder enige kans op re-integratie. Ze worden letterlijk in een meedogenloze maatschappij gegooid. En we laten ze aan hun lot over. We zeiden tegen onszelf dat we er iets aan moesten doen.

En ook, wat gebeurt er binnen de gevangenismuren precies… Tunesië heeft alle mogelijke mensenrechtenverdragen ondertekend maar past niets toe. Het rechtssysteem is catastrofaal, ik denk aan de jongeren in Kef die dertig jaar kregen voor een joint [beslissing in eerste aanleg, sindsdien werden de straffen grotendeels teruggebracht tot 2 jaar]. De gevangenis, dat is geweld, overbevolking, vermenging van gedetineerden… De gevangenis is een leerschool voor criminaliteit.

We hebben veel methoden geprobeerd: cipiers opleiden, pleiten voor wetswijzigingen… Naar mijn mening begint re-integratie in de gevangenissen zelf. Je moet de gedetineerden voorbereiden voordat ze vrijkomen. Ik denk dat de beste methode die we gevonden hebben kunst en cultuur is, de gedetineerden die betrokken geweest zijn bij het project Perspectives, dat was een echte wedergeboorte voor hen. Leren zich uit te drukken, zich te positioneren in de maatschappij… Een gedetineerde die deelnam aan een theaterworkshop vertelde me eens: “Vroeger dacht ik alleen maar aan mijn advocaat, de rechter, wat er met me ging gebeuren… Nu denk ik aan mijn personage, mijn tekst, en hoe ik die moet interpreteren. Het stelt hen in staat aan iets anders te denken, en cipiers hebben bevestigd dat het op veel gedetineerden een sterke impact gehad heeft.

Hoe is de situatie momenteel in de gevangenis van Sfax (populatie, omstandigheden, enz.)? Wat is het profiel van de gedetineerden (sociaal-economisch profiel/criminele achtergrond) waarmee u in het kader van het project hebt kunnen werken?

De gevangenis van Sfax is in een vrij goede staat, maar wordt slecht uitgebaat. Onder de cipiers zijn er goede en slechte, sommigen misbruiken hun macht, enz. En de overbevolking in de gevangenis is extreem. In een slaapzaal met 40 of 50 plaatsen, heb je 120 gedetineerden. Sommigen slapen in de gangen, onder de bedden…

Voor de workshops slaagden we erin een verscheidenheid aan profielen te hebben, steeds gebaseerd op de bereidheid van de gedetineerden om al dan niet deel te nemen. We hebben bij de activiteiten ook nagedacht over de ervaringen van ieder van hen, met mezoued [traditionele Tunesische volksmuziek], theater, schilderen…

Bij de mensen die aan het project deelgenomen hebben, waren er mensen met gevangenisstraffen van 20 of 30 jaar, mensen die bekend stonden om hun banden met de familie Ben Ali, mensen die daar zaten wegens drugsgebruik of drugshandel, wegens onbetaalde cheques… Maar achteraf was onze strategie nooit om mensen naar hun achtergrond te vragen, maar om hen daarover te laten vertellen als ze dat wilden. We stellen nooit vragen.

Wat is de feedback van de gedetineerden en de cipiers die deelgenomen hebben /deelnemen?

Dit verloopt goed met het Comité Général des Prisons et de la Rééducation (CGPR), en ook met de directie van de gevangenis in Sfax. De directeur heeft ons zelfs voorstellen gedaan om het werk van de workshops te verbeteren. Hij trad soms op als bemiddelaar als de cipiers niet wilden dat we dit of dat deden.

Aan welke verandering(en) zou u met uw actie willen bijdragen?

Ik wil dat iedereen toegang heeft tot cultuur, iedereen is een kunstenaar maar weet het niet. Ze hebben een enorme energie. In plaats van ze op te sluiten in een kamer, geef ze een schilderij, een microfoon, een podium en je zult versteld staan. Als ik iets wil veranderen, dan is het dat wel, toegang tot cultuur voor alle gedetineerden op elk moment. Zelfs in termen van werkgelegenheid, kan dit kansen bieden voor gedetineerden als ze vrijkomen…

We moeten ook de manier veranderen waarop de maatschappij ex-gedetineerden ziet: de man die een fout heeft gemaakt, moet niet tweemaal gestraft worden. We moeten mensen accepteren en deze bevooroordeelde mentaliteit veranderen.

Welke hervormingen zijn volgens u nodig op het gebied van het strafrecht en het gevangeniswezen?

Ten eerste, wet 52 [wet op drugsgebruik en drugshandel]. Verder ook het CEDIS-systeem [Centre de Défense et d’Intégration Sociale] efficiënter maken zodat contact gemaakt kan worden met bedrijven en verenigingen die een tussenpersoon nodig hebben. We moeten een echt re-integratiesysteem tot stand brengen, anders is de enige optie de harraga [letterlijk “zij die verbranden”, de naam die gegeven wordt aan migranten die illegaal de oversteek naar Europa wagen]. Ik heb zelf gedetineerden gekend die zich voorbereiden op hun vertrek nog voor zij vrijgelaten worden.

Wat is de rol van het maatschappelijke middenveld in de gevangenissen? Hoe denkt u dat deze dynamiek tussen samenleving en gevangenis duurzaam gemaakt kan worden?

De verenigingen moeten hun beloften nakomen wanneer zij in de gevangenis komen, anders zal het moeilijk zijn om het vertrouwen van de gedetineerden te winnen. Uiteindelijk, als je in de gevangenis komt, is het als het geven van licht aan een blinde. En trouwens, de enige verantwoording die we moeten afleggen is aan de gedetineerden zelf. In het algemeen moet je dus zeer veeleisend zijn bij het selecteren van de verenigingen die in de gevangenis werken, het is een zeer grote verantwoordelijkheid.

Wat de duurzaamheid betreft, zou ik graag zien dat het project Perspectives een proefproject wordt en uitgebreid wordt naar de rest van de gevangenissen.

Het L’Alternative project wordt gefinancierd door de Europese Unie

JUSTICE NOW ? Stilstaan bij de Europese koloniale erfenis in het spoor van Black Lives Matter

>> Website van de conferentie <<   >> Schrijf u hier in ! <<

Na de “Black Lives Matter”-manifestaties in de Verenigde Staten in het voorjaar van 2020 als gevolg van de moord op George Floyd in Minneapolis, kwam er ook in Europa een golf van protesten op gang tegen het systemische racisme. Deze protesten waren niet alleen een uiting van solidariteit met de Amerikaanse beweging, maar riepen de Europese staten ook op hun eigen structurele raciale ongelijkheden aan te pakken, alsmede hun koloniale erfenis in Afrika. Voortbouwend op bewegingen die al tientallen jaren bezig waren, hadden organisaties van de Afrikaanse diaspora en antiracismebewegingen in Europa eisen geformuleerd die varieerden van de verwijdering van standbeelden van koloniale figuren, de naamswijziging van openbare ruimtes en de teruggave van kunstwerken die uit Afrikaanse koloniën meegenomen waren en in Europese musea bewaard waren; tot financiële vergoedingen voor het geweld tijdens de kolonisatie.

Sinds de formulering van deze eisen zagen we dat er enkele opportuniteiten naar boven kwamen. Zo werd er in België in juli 2020 een Bijzondere commissie opgericht om het Belgische koloniale verleden in Congo, Rwanda en Burundi te onderzoeken. Verder bevestigde het Europese actieplan 2020-25, voorgesteld in september 2020, het verband tussen kolonialisme en het voortbestaan van rassendiscriminatie in de Europese samenleving. Dit actieplan is daardoor een belangrijke stap voorwaarts in de hedendaagse strijd tegen racisme en discriminatie in de Europese Unie.

Al deze bewegingen en institutionele reacties duiden erop dat een transversale analyse – in termen van geografie, geschiedenis en actieterreinen – noodzakelijk is om na te denken over de huidige dynamiek in de bewegingen rond het Europese koloniale verleden in Afrika. Op basis van deze transversale analyse kunnen we stilstaan bij de volgende vragen: Hoe kunnen de acties in deze verschillende landen en regio’s versterkt worden? Wat zijn de juridische, politieke, sociale en culturele mechanismen die deze bewegingen kunnen aanwenden om gerechtigheid te verkrijgen? Welke lessen kunnen we uit deze verschillende initiatieven trekken?

Deze conferentie, die wordt georganiseerd door het departement Antropologie van het MIT, in samenwerking met Advocaten zonder Grenzen (ASF), wil een platform bieden voor academici, activisten en beleidsmakers uit Europa, Noord-Amerika en Afrika om deze vragen te behandelen. Gedurende 5 dagen zullen expertise en ervaringen op het vlak van transitionele justitie, raciale justitie, koloniale en dekoloniale studies uitgewisseld worden in panels en rondetafelgesprekken, met als doel om gemeenschappelijke en/of contextuele dynamieken en mobilisatiestrategieën te belichten.

De huidige context biedt dus een historische kans om bewegingen tegen racisme en dekoloniale bewegingen in verschillende nationale contexten en actiegebieden te begrijpen en te ondersteunen. We nodigen u daarom van harte uit op deze interdisciplinaire conferentie. Wenst u meer informatie? Aarzel dan niet om ons te contacteren via justicenowsymposium@gmail.com.

Schrijf u hier in ! U vindt het programma van de conferentie hier.

Binnen de muren – Walid Bouchmila (Horizon d’Enfance) : « Wanneer we een project in een gevangenis willen opstarten, mogen we niemand vergeten. »

Binnen de muren – Omar Ben Amor (Art acquis) : “Toegang tot cultuur voor alle gedetineerden op elk moment”

Interview met Walid Bouchmila, voorzitter van de vereniging Horizon d’Enfance.

Binnen het project Alternative, opgestart door Advocaten Zonder Grenzen en ATL MST SIDA, zorgt Horizon d’Enfance in de gevangenis van Gabès voor culturele activiteiten, voor opleidingen voor het gevangenispersoneel en voor beroepsgerichte opleidingen (loodgieter, stukadoor, kok en banketbakker) voor de gevangenen. De gevangenen kunnen ook opleidingen volgen rond ondernemerschap, begeleiding krijgen bij de opstart van microprojecten en psychologische begeleiding krijgen ter voorbereiding van hun vrijlating. Het project streeft ernaar om de gevangenen in Gabès te rehabiliteren en te re-integreren.

Kan u zichzelf even voorstellen, evenals Horizon d’Enfance ?

Ik ben Walid Bouchmila, maatschappelijk werker van opleiding en voorzitter van Horizon d’Enfance. Onze vereniging ontfermt zich over straatkinderen en biedt sociale, psychologische en educatieve ondersteuning aan deze jongeren en hun families. We streven ernaar om de families economisch en sociaal autonoom te maken.

Hoe werkt Horizon d’Enfance precies binnen de gevangenismuren ? Waarom lijkt het u nodig om dit project op te zetten?

Terwijl we met deze jongeren werkten, vroegen we hen : « hoe ben je hierin verzeild geraakt? ». In werkelijkheid geven heel wat jongeren aan dat één van hun ouders (meestal de vader) in de gevangenis zit of zat. Het feit dat er één ouder niet aanwezig is, maakt deze jongeren kwetsbaarder. Als we hierrond dus willen werken, moeten we dus ook werken met de vaders in de gevangenis met het oog op hun re-integratie en op het voorkomen van recidive en delinquentie.

We zetten dit project op om de families te helpen, vooral vanuit een economisch oogpunt, door de vaders door middel van een job te integreren. Het uiteindelijke doel is om uit de kwetsbare situatie te geraken.

Hoe is de situatie in de gevangenis van Gabès momenteel (populatie, omstandigheden,…)?

Het aantal gevangenen varieert heel sterk: toen we van start gingen in de gevangenis van Gabès (in januari 2020, n.v.d.r.) waren er 300 gevangenen. We zagen dit cijfer stijgen tot 600, o.a. omdat de gevangenis van Gabès deel uitmaakte van de gevangenissen die nieuwe gevangenen in quarantaine opvingen tijdens de eerste golf van COVID-19. Momenteel zitten er ongeveer 400 gevangenen, enkel mannen. Men plant om op termijn een paviljoen te voorzien in de gevangenis van Gabès waar ook vrouwen terechtkunnen.

Wat de omstandigheden betreft: de gevangenis moest verschillende ruimtes die oorspronkelijk bedoeld waren voor theater- en filmactiviteiten herinrichten. Deze ruimtes werden namelijk de quarantaineruimtes waar de nieuwe gevangenen onthaald werden.

Over het algemeen is overbevolking nog steeds de norm in de gevangenis van Gabès; hoewel er bij mijn weten zeer weinig gevallen van COVID in de gevangenis zijn geweest – slechts bij twee personen werd de diagnose gesteld op het moment dat zij in quarantaine geplaatst werden. Vandaag is de situatie – wat de toegepaste gezondheidsmaatregelen betreft – grotendeels dezelfde, met een aanscherping de afgelopen dagen na een versoepeling tijdens de tweede golf.

Welk profiel hebben de gevangenen (socio-economisch profiel / strafrechtelijk parcours) die u ontmoet hebt in het kader van dit project?

In de gevangenis van Gabès vinden we eigenlijk alle profielen terug: van mensen die niet kunnen lezen of schrijven, tot diensthoofden van een bankkantoor. Wat de straffen betreft, dit kan variëren van enkele maanden tot levenslang; en de gevangenen zijn zowel 18 jaar tot meer dan 60 jaar. Over het algemeen vinden we er alle lagen uit de maatschappij terug, maar de overgrote meerderheid zijn jonge gevangenen (jonger dan 40) die er vaak straffen van 3 tot 5 jaar moeten uitzitten. De meeste misdrijven hebben te maken met drugs, diefstal, vechtpartijen,… De recidivegraad is tamelijk hoog, nl. ongeveer 40%.

Welke activiteiten hebt u momenteel georganiseerd ?

Wij hebben opleidingen voor gevangenispersoneel georganiseerd en culturele activiteiten (film-, theater- en muziekworkshops). Vandaag worden er beroepsgerichte opleidingen gegeven voor loodgieters, stukadoors, banketbakkers en koks. Na afloop zullen ze een examen moeten afleggen om hun vaardigheden te certificeren – wij moeten nog met het Directoraat-Generaal voor de beroepsopleidingen en de gevangenis zelf bespreken hoe wij deze examens zullen afnemen (binnen of buiten de muren van de gevangenis).

Daarna zullen wij, afhankelijk van wie binnenkort wordt vrijgelaten, samen met de gevangene en de familie de vrijlating helpen voorbereiden en hen steunen bij het opzetten van een microproject. Gevangenen krijgen ook een opleiding rond ondernemerschap en worden gecoacht door een psycholoog om hen voor te bereiden op hun vrijlating.

Het was vooral moeilijk om de gevangenen te selecteren die deel konden nemen aan de beroepsgerichte opleidingen omdat enkel de mensen die al berecht zijn hier recht op hebben, en niet de anderen [de gevangenen in voorlopige hechtenis]. Terwijl de gevangenen in voorlopige hechtenis wel het grootste deel vormen van de populatie. Veel van de berechtte gevangenen hebben zeer lange straffen, waardoor het geen zin heeft om hen nu al op te leiden. We hebben dus ons best gedaan om vooral te werken met gevangenen die min of meer vrijkomen tijdens de duurtijd van het project, ook al maken ze momenteel niet de meerderheid uit van onze rechthebbenden.

Wat is de feedback van de gevangenen en de personeelsleden die eraan deelnamen ?

De reacties van de gevangenen zijn zeer positief: zowel de opleidingen, als de culturele activiteiten worden zeer op prijs gesteld, vooral omdat zij hen in staat stellen wat tijd vrij te zijn en bezig te zijn, in een gevangenis waar er over het algemeen weinig activiteiten zijn. Het gevangenispersoneel was in het begin nogal weigerachtig omdat wij de eerste vereniging waren die de gevangenis binnenkwam. Maar beetje bij beetje, slaagden we erin hun vertrouwen te winnen. Zij werden zich ervan bewust dat het project zowel voor hen als voor de gevangenen positief was. Ze zijn ons werk gaan waarderen en we zijn er nog steeds welkom.

Het grote vraagteken momenteel is de duurzaamheid van het project. Sommige gevangenisbewaarders volgen de beroepsgerichte opleidingen mee om het daarna te kunnen overnemen. De gevangenisdirectie liet ons echter weten dat het aantal personeelsleden te beperkt was om echt iemand van het personeel hiervoor te kunnen afvaardigen. Wat ons ook opviel was het gebrek aan sportactiviteiten binnen de gevangenis, een gebrek dat we zouden moeten proberen aan te pakken door bijvoorbeeld een ander project. We zouden ook andere opleidingen kunnen doen. En bij de gevangenis van Gabès is er een groot terrein van twee of drie hectare dat uitstekend geschikt zou zijn voor een landbouwproject.

Wat is de feedback van Horizon d’Enfance ?

Ik zal mijn antwoord wat opsplitsen. Als ik die vraag acht maanden geleden had gekregen, dan zou ik niet zo enthousiast geantwoord hebben. De opstart van het project verliep zeer chaotisch, we stuitten op veel obstakels en we waren ook niet gewend om in een dergelijk “restrictief” kader te werken. Alles moest worden gepland, goedgekeurd op een centraal niveau… Het duurde ook lang om de overeenkomst te ondertekenen. Maar nu loopt alles vlot: de toegang tot de gevangenis verloopt gemakkelijk, zelfs zonder afspraak kunnen we naar de gevangenis; we worden nauw betrokken bij de werking van de gevangenis. Een van de afdelingshoofden zei zelfs tegen me “Ik beschouw je als een collega”. Van onze kant hebben wij de problemen van het gevangenispersoneel leren begrijpen, hun terughoudendheid ten opzichte van ons; ze voelen zich vaak gekrenkt, ze hebben het gevoel dat de rechters eerder aan de kant van de gevangenen staan als er een probleem is en ze hebben de indruk dat de opgezette projecten altijd voor de gevangenen zijn.

Toen ze ons project zagen en beseften dat ze niet “vergeten” werden, begrepen ze dat het voor iedereen gunstig zou zijn. Als je een project in de gevangenis wil opstarten, mag je echt niemand vergeten.

Welke verandering(en) wil u teweegbrengen via deze actie?

Men moet zich bewust worden van het belang van culturele, sportieve en andere activiteiten in de gevangenis om de spanningen tussen gevangenen en gevangenispersoneel te verminderen. We zijn er trouwens ook in geslaagd een partnerschap op te zetten met het Centre des arts dramatiques de Gabès (centrum voor toneel): een docent toneel geeft lessen in de gevangenis, en wij zijn erin geslaagd ervoor te zorgen dat deze activiteit ook na ons verdergezet wordt.

Het personeel zelf zegt dat de activiteiten een zeer positieve invloed hebben op de sfeer in de gevangenis. De culinaire opleidingen hebben bovendien de kwaliteit van de maaltijden verbeterd: de gevangenen in opleiding koken één dag per week voor iedereen. Dit wordt zeer gewaardeerd, evenals de taarten die elke dag uit de banketbakateliers komen.

Welke impact had de gezondheidscrisis als gevolg van COVID-19 in de gevangenis tijdens de eerste en de tweede golf?

Tijdens de eerste golf was er een toegangsverbod, waardoor de activiteiten volledig werden stilgelegd. Maar wij waren de eersten die de activiteiten konden hervatten. Tijdens de tweede golf konden wij onze activiteiten gewoon verderzetten.

Welke hervormingen zijn er volgens u nodig in het gevangenis- en strafwezen?

We moeten de populatie in de gevangenis verminderen, door bijvoorbeeld een maximumaantal gevangenen te bepalen. Verder moeten we zoveel mogelijk vermijden dat er mensen in voorlopige hechtenis zitten en moeten de rechters aangemoedigd worden om alternatieve straffen uit te spreken. De reclasseringsdienst in Gabès is nog niet echt operationeel; slechts enkele mensen worden momenteel opgevolgd. Ik heb geen grote vooruitgang gezien bij deze dienst, maar dat is ongetwijfeld te wijten aan de middelen waarover ze beschikken. En dynamiek heeft tijd nodig om te veranderen…

Welke rol spelen de organisaties van het maatschappelijk middenveld in de gevangenissen? Hoe zou men, volgens u, deze dynamiek tussen het maatschappelijk middenveld en het gevangeniswezen in een duurzame actie kunnen kaderen?

Het maatschappelijk middenveld speelt een zeer belangrijke rol. Ons project heeft een zeer positieve dynamiek teweeggebracht binnen de gevangenis van Gabès, we hebben zelfs voorstellen gekregen van het personeel voor andere projectideeën. De rol van het maatschappelijk middenveld bestaat er ook in het gevangenispersoneel te helpen hun werk te verbeteren om de gevangenen een betere omkadering te kunnen bieden. Wat echt nodig is, is een evenwicht tussen activiteiten voor gevangenen en activiteiten voor het personeel.

Nu moeten we deze dynamiek in de tijd kunnen verankeren. We weten dat in Gabès ook andere organisaties geïnteresseerd zouden zijn om samen te werken met de gevangenis, binnen de muren van de gevangenis. Wij van onze kant weten nog niet of we na het project nog verder toegang zullen krijgen (toegangsovereenkomsten zijn beperkt in de tijd, n.v.d.r.). Misschien moeten het de gevangenisdirecteuren zijn die de overeenkomsten kunnen opmaken? Misschien moet dit voorrecht worden gedecentraliseerd naar het regionale niveau?

Het Alternative project wordt gefinancierd door de Europese Unie

Mensenrechten, de grote afwezigen bij de aanpak van de Covid-19-crisis

Na een initiële ontkenning van de gezondheidscrisis als gevolg van Covid-19 keek de wereld met verbazing naar de ongeziene aard van de genomen maatregelen, en hun omvang. Meer dan de helft van de wereldbevolking kwam in lockdown terecht, met gevolgen voor het economische, social, fysieke en mentale leven die verschilden naargelang de individuele situatie en de structurele verschillen.

Zoals iedereen moest ook ASF haar werkwijze aanpassen, en dit in zeer verschillende en soms zeer veranderlijke contexten. Al snel kwam er een gemeenschappelijke noemer naar boven, ongeacht of het ging om landen met autoritaire regimes, in postconflictsituaties, in een democratisch transitieproces of in zogenaamde gevestigde democratieën: de mensenrechten waren bijna systematisch afwezig in het politieke discours en in de overwegingen die aan de besluitvorming voorafgingen. Toch heeft elke maatregel die in het kader van de gezondheidscrisis genomen werd, geleid tot een inperking van rechten en vrijheden, soms ook indirect. Zo heeft het verbod zich te verplaatsen niet alleen gevolgen gehad voor het recht op vrij verkeer, maar ook voor het recht op onderwijs, het recht op werk, en in sommige gevallen zelfs het recht op gezondheid of het recht op voedsel.

Terwijl een mensenrecht echter alleen ingeperkt kan worden door een wet en dit op een manier die in verhouding staat tot het nagestreefde doel. Dit gaat uiteraard steeds samen met het noodzakelijkheidsbeginsel, dat inhoudt dat de staat, wanneer geconfronteerd met een reeks opties, steeds de optie moet kiezen die het minste inbreuk maakt op rechten en vrijheden. Deze beginselen hadden als leidraad moeten dienen tijdens de denkoefening, maar ze vonden weinig weerklank in de politieke besluitvorming.

Strevend naar het verdedigen van de mensenrechten en het promoten van een aanpak die mensenrechten centraal plaatst, heeft ASF vanaf maart 2020, samen met haar partners, een project gelanceerd om de impact van de maatregelen in de strijd tegen Covid-19 op de mensenrechten en de principes van de rechtsstaat te monitoren in Tunesië, Oeganda, Indonesië, de Democratische Republiek Congo en België. Deze monitoring werd aangevuld met tal van acties rond de toegang tot het gerecht, met name met betrekking tot de overbevolking in de gevangenissen. De systematische integratie van een “Covid-19-benadering” heeft het mogelijk gemaakt om, ongeacht het politieke systeem, meerdere schendingen van de essentiële principes van bescherming en bevordering van de mensenrechten aan het licht te brengen. De gegevens die in deze landen verzameld zijn, ter illustratie van veel algemenere trends, geven een verontrustend beeld op wereldschaal.

Het ontbreken van een internationaal of zelfs regionaal bestuurskader voor deze kwesties heeft in de eerste plaats geleid tot ad-hoc-kettingreacties rond een bijna systematische versterking van de uitvoerende macht, zelfs wanneer er minder vrijheidsbeperkende oplossingen beschikbaar waren voor de politieke besluitvormers. Dit heeft geleid tot een belangrijke personificatie van de reactie, in die zin dat door deze ongekende versterkingen van de uitvoerende macht, zoals in Tunesië of Oeganda, de eerbiediging van de mensenrechten afhankelijk werd gemaakt van een beperkt aantal mensen, waarbij ook willekeur mogelijk een rol speelde.

Ook werd herhaaldelijk opgemerkt dat de genomen maatregelen vaak onduidelijk waren, zowel wat hun duur, als hun inhoud betreft. Het niet-naleven van sociale afstandsregels of lockdownmaatregelen ging vaak gepaard met criminaliserende maatregelen die het legaliteitsbeginsel van strafbare feiten en sancties herhaaldelijk hebben ondermijnd. In Indonesië werden dergelijke sancties opgelegd door administratieve overheden – niet door de nationale vertegenwoordiging – en soms zonder enige rechtsgrond. Er werd veel ruimte gelaten voor interpretatie door de veiligheidsdiensten, waardoor er ruimte was voor willekeur en potentieel misbruik, vooral in landen die al gekend staan als politiestaat. In sommige gevallen hebben de overheden niet geaarzeld om Covid-19 maatregelen te gebruiken om de civiele ruimte verder te beperken en mensenrechtenactivisten het zwijgen op te leggen.

Deze sterke neiging tot criminalisering, die zelfs tot de opsluiting heeft geleid van overtreders, staat, in een context van ernstige overbevolking in de gevangenissen, haaks op de door de overheden bepleite logica van social distancing. De opschorting van gerechtelijke activiteiten leidde bovendien tot een langere en mogelijk illegale opsluiting van personen in voorarrest of voorlopige hechtenis. De oproepen om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan, die al vóór deze gezondheidscrisis bestonden, werden nog luider door de toegenomen kwetsbaarheid van de gedetineerden en de onevenredige schending van hun rechten als gevolg van de opschorting van het bezoekrecht. Terwijl sommige landen, zoals Oeganda en Tunesië, uiteindelijk – soms slechts voorlopig – gedetineerden vrijlieten die bijna aan het einde waren van hun straf of die veroordeeld waren voor kleine vergrijpen, vervaagde het effect al snel doordat de gevangenisbevolking bijna even snel terug op hetzelfde peil of zelfs nog hoger, kwam te staan dan voor de crisis.

De situatie van de gedetineerden is slechts één voorbeeld van de mate waarin de gezondheidsmaatregelen op mensen die zich al in een kwetsbare situatie bevinden een verschillende, zelfs soms discriminerende impact hebben. De heropleving van gendergerelateerd geweld, met name in de intrafamiliale context, was systematisch; de reeds bestaande fragiliteit zorgde er niet alleen voor dat sommige mensen meer blootgesteld werden aan de gezondheidscrisis, maar ook aan de verwoestende socio-economische gevolgen ervan. Een studie uitgevoerd in België toonde dit zeer duidelijk aan: hoewel de maatregelen a priori neutraal waren in hun formulering, hadden ze bijzonder schadelijke gevolgen voor migranten, geracialiseerde personen en gedetineerden, en waren ze de facto indirecte discriminatiemaatregelen.

Uiteindelijk wijzen de verschillende waargenomen trends erop dat de structurele en individuele kwetsbaarheden die vóór de crisis reeds bestonden, alleen maar verergerd zijn. In een tijd waarin de vooruitzichten over het einde van de crisis onzeker zijn, is het belangrijker dan ooit om deze monitoring voort te zetten en te verankeren, en vooral om de op mensenrechten gebaseerde aanpak op te nemen in de bestuurs- en evaluatiemechanismen die het voorbije jaar opgezet werden. Het maatschappelijke middenveld werd al te zeer teruggedrongen tot hun rol van waakhond, zonder dat er ruimte was om constructief deel te nemen aan deze dialoog – met name op basis van gegevens die door ASF en haar partners verzameld werden.