Historische waarheid en verantwoording in de postkoniale staat

Te midden van een groeiende aandacht voor de kwestie van historisch onrecht, hebben verschillende regeringen over de hele wereld onderzoekscommissies opgericht om hun koloniale verleden onder de loep te nemen, waarbij zij hun werk expliciet of impliciet kaderen binnen de retoriek van transitionele justitie. Echter is het niet altijd duidelijk in hoeverre de transitionele justitie retoriek van deze commissies ook betekent dat zij zich inschrijven in de bredere normatieve doelstellingen van transitionele justitie. Met name – zoals Prof. Tine Destrooper en Dr. Cira Palli-Aspero, van het Human Rights Center aan de Universiteit Gent, in deze blogpost betogen – blijft de vraag naar verantwoording (‘accountability’) vaak impliciet. Wanneer juridische of strafrechtelijke vervolging niet mogelijk of wenselijk is, zijn er dan aanvullende vormen van verantwoording die kunnen worden overwogen?

Historische waarheid en verantwoording in de postkoloniale staate

De erfenis van het koloniale verleden heeft een grote invloed op onze samenlevingen, niet alleen in termen van aanhoudende – directe of indirecte – schade of onrecht, maar ook, en dat is belangrijk, in termen van kwesties van historische verantwoording, erkenning en herstel die ze oproepen. In de afgelopen jaren is de vraag hoe voormalige kolonisatoren in het reine kunnen komen met hun gewelddadige koloniale erfenis en hoe deze van invloed is op het heden, steeds centraler komen te staan in het publieke debat.

Te midden van deze groeiende aandacht voor kwesties in verband met historisch onrecht hebben verschillende regeringen overal ter wereld, en met name in geconsolideerde democratieën, een reeks initiatieven genomen om tegemoet te komen aan uiteenlopende eisen en zorgen in verband met het koloniale of overzeese verleden. Een specifiek mechanisme dat in dit verband vaak wordt gebruikt, is de oprichting van historische commissies die onderzoek doen naar hun koloniale verleden. Hoewel deze fenomenen op zich niet nieuw zijn, is de recente opleving ervan in gevallen van koloniaal of overzees kolonialisme opvallend. Als voorbeelden kunnen we denken aan de Belgische Bijzondere Parlementaire Commissie (2020); de Noorse Commissie (2018) die het beleid en het onrecht tegen de Samen en de Kven-volkeren moet onderzoeken; de Zweedse Waarheids- en Verzoeningscommissie inzake de Tornedal-, Kven- en Lantalaiset-volkeren (2020) en de Zweedse Waarheids- en Verzoeningscommissie inzake de Samen (2021); de Finse Waarheids- en Verzoeningscommissie inzake de Samen (2021); de Yoo-rrook Justitiecommissie (2020) in Victoria, Australië, en recent (juni 2022) hebben Groenland en Denemarken een overeenkomst ondertekend om een historisch onderzoek in te stellen naar de gevolgen van het kolonialisme voor de Inuit.

Het is opvallend dat de meeste van deze commissies zich impliciet of expliciet kaderen binnen het paradigma van de transitionele justitie om na te denken over historisch onrecht. De keuze om deze initiatieven binnen de taal van transitionele justitie te kaderen, kan worden verklaard door het feit dat de kerndoelstellingen daarvan, namelijk het consolideren van rechtvaardige, stabiele, inclusieve en vreedzame samenlevingen, een grote normatieve aantrekkingskracht uitoefenen op geconsolideerde democratieën. Hoewel dit op een visceraal niveau zinvol is, is het niet altijd duidelijk in hoeverre het overnemen (of toeschrijven) van de transitionele justitie-logica en -retoriek door sommige van deze commissies ook betekent dat ze zich kaderen binnen de bredere normatieve doelstellingen van transitionele justitie. Met name de vraag naar verantwoording blijft vaak impliciet.

Verantwoording afleggen is een essentieel kenmerk van elke vorm van transitionele justitie, en als zodanig betekent het benaderen van de zoektocht naar historische gerechtigheid voor koloniale schade door de lens van transitionele justitie dat we ook meer moeten nadenken over de rol en betekenis van verantwoording in deze dekolonisatiestrijd.

Op het gebied van transitionele justitie draait het bij verantwoording gewoonlijk om begrippen als juridische en strafrechtelijke verantwoording. Met andere woorden, “de vervolging van degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van internationale mensenrechten of humanitair recht, hetzij voor binnenlandse of internationale rechtbanken“. Vanuit dit perspectief is de bestraffing van daders een hoeksteen van verantwoording en cruciaal om herhaling van schendingen uit het verleden te voorkomen. Wanneer we echter nadenken over verantwoordingsprocessen voor koloniale misdaden is deze opvatting van verantwoording duidelijk niet de meest relevante.

Het voortdurende karakter van dit (post)koloniale onrecht problematiseert de gangbare opvattingen over verantwoording, die vaak geworteld zijn in de veronderstelling dat verantwoording betrekking heeft op daden die hebben plaatsgevonden in een verleden dat definitief achter ons ligt en dat kan worden herleid tot één dader die één (of een telbare reeks) afgebakende onrechtvaardige daden heeft begaan waarvoor hij moet worden gestraft. Terwijl hier dezelfde systematische ongelijkheden en epistemische structuren die de oorspronkelijke koloniale schade veroorzaakten, nog steeds specifieke groepen binnen de samenleving treffen.

Wanneer men (post)koloniaal onrecht beschouwt als langzaam geweld dat doordringt in pre-, trans- en postkoloniale tijden en dat is ingeschreven in sociale en politieke structuren, moet verder worden onderzocht hoe deze aanhoudende vormen van onrecht kunnen worden aangepakt.  

Bovendien vereist het structurele karakter van de koloniale schade een andere benadering van de verantwoordingsplicht, die het mogelijk maakt structurele en systematische onrechtvaardigheden aan te pakken die de ongelijkheid in het heden in de hand werken. Hoewel sommige koloniale misdaden in individuele termen kunnen worden omschreven, was het kolonialisme een onderneming die vele gebieden van het menselijke leven omvatte (d.w.z. politieke, economische, maatschappelijke, culturele en religieuze aspecten ). In het debat over historisch onrecht als gevolg van het kolonialisme heeft een verschuiving plaatsgevonden van een individualistische opvatting “naar een collectieve opvatting, waarbij de nadruk ligt op collectieve actoren, zoals naties, als de juiste entiteiten die verantwoordelijk moeten worden gehouden voor onrecht dat in het verleden heeft plaatsgevonden“. In dit kader wordt voor verantwoording, erkenning en genoegdoening een “staatsgerichte benadering gehanteerd, waarbij (…) vragen over historische verantwoordelijkheid, corrigerende rechtvaardigheid of politieke verzoening worden gesteld in termen van interacties tussen voormalige koloniserende en gekoloniseerde volkeren of staten“.

Hoewel de bijdrage van historische commissies aan bredere processen van erkenning en herstel onbetwistbaar is, is het minder duidelijk hoe ze bijdragen tot het concept van verantwoording. Wanneer juridische of strafrechtelijke verantwoording niet mogelijk of wenselijk is, zijn er dan aanvullende vormen van verantwoording die moeten worden overwogen? Hoe ziet verantwoording eruit in gevallen waarin er behoefte is aan “een grotere afrekening met zowel de machtsstructuren (…) als met de geschiedenis die blijven nazinderen“?

De recente hausse aan historische commissies om de erfenis van het kolonialisme aan te pakken, zet dit debat in de schijnwerpers, maar dit zijn vragen waar actoren uit het maatschappelijk middenveld zich al vele decennia mee bezighouden. De mobilisatie van transitionele justitie in de postkoloniale context vereist een herdefiniëring van de kerndoelstellingen ervan; er is een verder gesprek in twee richtingen met de actoren van het maatschappelijk middenveld nodig om beter te begrijpen hoe hun opvatting over verantwoording voor koloniaal geweld het bestaande model van transitionele justitie kan verrijken.

Auteurs

Prof. Dr. Tine Destrooper is universitair hoofddocent aan de Faculteit Rechten en Criminologie van de Universiteit Gent en lid van het Centrum voor de Mensenrechten van de Universiteit Gent. Haar onderzoek richt zich op slachtofferparticipatie in transitional justice. Momenteel voert ze een vergelijkend onderzoek uit naar de lange termijn en onvoorziene effecten van slachtofferparticipatie op slachtoffers en hun gemeenschappen. Eerder bekleedde ze functies bij verschillende Europese en Amerikaanse instellingen en was ze directeur van het Center for Human Rights and Global Justice in New York.

Dr. Cira Palli-Aspero is senior onderzoeker aan het Centrum voor de Mensenrechten van de Universiteit Gent. Zij is een professioneel historica gespecialiseerd in hedendaagse politieke geschiedenis. Haar werk situeert zich op het raakvlak van historiografie en transitional justice met een focus op door de staat gesanctioneerde historische commissies als mechanismen om de erfenis van het verleden aan te pakken. Ze promoveerde aan het Transitional Justice Institute van Ulster University.

Transitional Justice & Historical Redress

Dit artikel werd gepubliceerd in het kader van de speciale reeks Transitional Justice & Historical Redress, een samenwerking tussen Advocaten Zonder Grenzen en het Leuvens Instituut voor Criminologie.