Transitionele justitie 2.0 – Hoe een Canadees compromis de koloniale gevolgen in stand houdt

De Indian Residential School Settlement Agreement (IRSSA) en de daarmee verbonden Waarheids- en Verzoeningscommissie (TRC) voor inheemse volkeren waren herstelmaatregelen voor de Indian Residential Schools (IRS) in Canada, het intergenerationele trauma en de gevolgen daarvan. Het Canadese voorbeeld is bijzonder omdat de herstelmaatregelen niet werden gebruikt in een transitionele samenleving, maar om historische wantoestanden die voortkwamen uit de koloniale context aan te pakken en te erkennen. De Canadese aanpak omvatte vele transitionele mechanismen zoals herstelbetalingen, een waarheids- en verzoeningscommissie, herdenkingen en verontschuldigingen. De Canadese ervaring leert ons echter dat het aanpassen van deze transitionele instrumenten aan een niet-transitionele context het gevaar inhoudt dat de status quo wordt verlengd. Het is dus van cruciaal belang om na te gaan of we kunnen spreken van een transitioneel justitiemodel 2.0 dat werkt voor geconsolideerde democratieën.

De niet-transitionele context in Canada

De Canadese inspanningen om af te rekenen met het koloniale verleden zijn terug te voeren op de acties aan de basis van inheemse volkeren en overlevenden van de IRS. De IRS maakten deel uit van een breder plan om het “Indianenprobleem” op te lossen door de First Nations in Canada te “beschaven” en inheemse kinderen, sommigen nog maar drie jaar oud, te assimileren in de Europees-christelijke koloniale maatschappij. Deze IRS waren kostscholen die vanaf 1880 tot in de jaren 1990 gezamenlijk werden georganiseerd en gerund door verschillende kerken en de Canadese regering en die er in feite toe leidden dat kinderen bij hun families werden weggehaald.

Het IRS-beleid was de belichaming van een Canadees apartheidsregime dat inheemse volkeren behandelde als minder dan tweederangsburgers. Veel van de leiders, leerkrachten, ouders en grootouders van inheemse gemeenschappen zijn overlevenden van de IRS of overlevenden van de tweede of derde generatie. De gevolgen van de scholen zijn blijvend en hebben geleid tot intergenerationele trauma’s. De scholen hebben niet alleen schade toegebracht aan inheemse talen, spiritualiteit en overtuigingen, maar hebben veel volwassen overlevenden hun hele leven sociaal, economisch en psychologisch beïnvloed. De ideologie van de IRS is diep geworteld in de koloniale mentaliteit die de nationale staat Canada heeft gevormd. Chrisjohn en Young zien het IRS-systeem en ander beleid gericht op het marginaliseren van inheemse volkeren als een opzettelijke poging met genocidale bedoelingen, toegedekt om het gevestigde Britse strafrecht niet te schenden. Ook Cree-wetenschapper Tamara Starblanket stelt dat beleid dat erop gericht is de inheemse identiteit te verwijderen, elk waarneembaar politiek onderscheid bij een volk verwijdert door middel van gedwongen assimilatie. De oprichting van de Canadese staat vereiste de ontmanteling van reeds bestaande inheemse naties. Het koloniale systeem dat de basis vormde voor de IRS, bestaat nog steeds via de Indian Act, die de genocidale structuren en de voortdurende verwijdering van inheemse kinderen blijft opleggen binnen het huidige systeem voor kinderwelzijn.

Herstellende, vergeldende, inheemse justitie

In Canada gingen gerechtelijke procedures vooraf aan de waarheids- en verzoeningscommissies, maar veel overlevenden eisten ook een waarheids- en verzoeningscommissie en herstelbetalingen, waardoor er een bottom-up-benadering kwam met een holistische, inheemse methodologie. Veranderingen in de Canadese wetgeving in de jaren negentig boden overlevenden de mogelijkheid om gebruik te maken van ‘class-action’ procedures. Er werden verschillende ‘class-action’ procedures aangespannen die later werden samengevoegd tot één procedure in elk van de negen jurisdicties waar ze oorspronkelijk waren opgestart. Deze ‘class-action’ werd Fontaine v. Canada (Attorney General) genoemd. De gerechtelijke procedures duurden echter te lang en zorgden bij veel overlevenden voor nieuwe trauma’s of voor demotivatie om zelfs maar deel te nemen.

Daarom kwam de IRSSA tot stand, niet door een presidentieel decreet of een internationale tussenkomst, maar door een schikking van verschillende burgerlijke en strafrechtelijke rechtszaken die er niet in slaagden de verscheidenheid aan mistoestanden die in de IRS plaatsvonden aan te pakken. Deze rechtszaken beperkten zich tot strafbare feiten, zoals fysiek of seksueel misbruik, en werden ook beperkt door verjaringstermijnen. De bredere context waarin deze mistoestanden plaatsvonden, werd slechts gebruikt om bewijzen te verzamelen, maar niet om een beter beeld te krijgen van kolonialisme, assimilatiecultuur en gebrek aan verzoening. Het verlies van cultuur, de verbreking van familiebanden, het verlies van taal en het ontbreken van een gevoel van verbondenheid kunnen ook worden beschouwd als schade, hoewel (nog) niet vervolgbaar, die de inheemse volkeren aangepakt wilden zien. Bovendien zou het alleen al door de omvang van de zaken – meer dan 12.000 rechtszaken – eindeloos lang duren om via de rechter te worden afgehandeld.

De IRSSA en de vijf onderdelen – individuele en collectieve herstelbetalingen, waarheids- en verzoeningscommissie, financiering voor herdenkings- en genezingsprojecten – probeerden de schade veroorzaakt door de scholen aan te pakken. Excuses van de regering en de kerkelijke instanties die betrokken waren bij de organisatie van de scholen gingen zelfs vooraf aan de waarheids- en verzoeningscommissie die van 2008 tot 2015 actief was.

Hoewel veel aspecten van de IRSSA door de inheemse bevolking werden aangevoerd, belemmerde de herstellende component van elke stap het waarheidsproces tot op zekere hoogte. Zo waren de bevoegdheden opgenomen in het mandaat van de waarheids- en verzoeningscommissie, een twistpunt. Rechterlijke bevoegdheden, zoals het noemen van namen en dagvaardingen, voor de commissie hadden voor enige verantwoordingsplicht kunnen zorgen, gezien de mogelijkheid dat voormalige IRS-medewerkers niet met de commissie zouden samenwerken – wat het geval was bij verscheidene priesters, waarvan sommigen nog steeds in ballingschap leven. De regering, de katholieke kerk en de organisaties van overlevenden waren echter geen voorstander van een legalistisch mandaat. De regering en de katholieke kerk waren ertegen omdat het hen juridisch verder zou kunnen beschuldigen en de geldelijke compensaties zou kunnen verhogen. Overlevenden eisten een waarheids- en verzoeningscommissie omdat ze niet blootgesteld wilden worden aan een nieuwe beproeving van contradictoire procesvoering. De meeste mensen waren meer geïnteresseerd in het opbouwen van de toekomst.

Hoewel alle betrokkenen voorstander waren van herstel, ze hadden toch verschillende drijfveren. De vraag hoe waarheid en verzoening werden opgevat was niet louter een semantisch en juridisch debat, maar een debat tussen inheemse en niet-inheemse wereldbeelden. Het inheemse wereldbeeld richt zich meer op de onderlinge verbondenheid van de elementen en de spirituele wereld. Dit wereldbeeld is verankerd in het Aboriginal-concept van verzoening dat ceremonies en rituelen inhoudt, iets ontastbaars en onmeetbaars, maar eerder een gevoelde ervaring die, wanneer er sprake is van verzoening, bekend is bij de inheemse volkeren. De relaties moeten (opnieuw) in evenwicht worden gebracht vanwege de verbondenheid van alle dingen en volkeren. Hun begrip van verzoening heeft altijd bestaan en raakt verschillende aspecten. Hun begrip van verzoening beperkt zich niet tot de “residential school”-ervaring, die eerder als een symptoom dan als een oorzaak wordt gezien.

Transitionele justitie en de gevaren voor geconsolideerde democratieën

Het gebruik van transitionele justitie in geconsolideerde democratieën houdt het gevaar in dat er symbolische acties en uitvoerende verzoening plaatsvinden die meer dienen om de Canadezen te sussen dan de inheemse volkeren. Dit betekent echter niet dat ze geen vooruitgang kunnen boeken. Integendeel, wanneer koloniale staten streven naar een blijvende transformatie, hebben ze veel dekoloniserende macht. In deze scenario’s is wat na de waarheids- en verzoeningscommissie volgt soms nog belangrijker dan de commissie zelf.

Hoewel de groepen met overlevenden voorstander waren van de herstellende elementen in het mandaat van de waarheids- en verzoeningscommissie, compliceerde dit de dingen. Zo was de commissie sterk gericht op het slachtoffer en gebaseerd op vrijwillige deelname van overlevenden, regerings- en kerkfunctionarissen. Hierdoor en door het ontbreken van wettelijke bevoegdheden creëerde de commissie haar eigen obstakels, zonder dat ze dit aanvankelijk besefte. Het was niet de bedoeling dat overlevenden en daders voor de commissie zouden verschijnen en met elkaar geconfronteerd zouden worden, zoals bij de Zuid-Afrikaanse waarheids- en verzoeningscommissie. Er werd ook voortdurend gestreden over de interpretatie van wat gold als een essentieel document: als de Commissie aanvullende archiefstukken in het historisch dossier wilde opnemen, moest ze daarnaar op zoek bij de Library and Archives Canada, hoewel het de verantwoordelijkheid van Canada was om documenten te verstrekken. Het steeds terugkerende probleem van de documenten bracht de commissie ertoe om in vijf afzonderlijke zaken naar de rechter te stappen in verband met de verstrekking van documenten.

In de hoop dat het delen van de waarheid tot andere opvattingen zou leiden, berustte het succes van de waarheids- en verzoeningscommissie en haar mandaat op de erkenning door kolonisten en daders van hun fouten. Dit inclusivisme betwist echter niet de heersende machtsverhoudingen. Men zou kunnen aanvoeren dat het mandaat de commissie dus te zwak, onvoldoende neutraal en juridisch positivistisch maakte, passend bij het westerse wereldbeeld van goed en kwaad. Het proces begon dus niet met open onderzoeksvragen, maar was een forum voor “ervaringen en trauma’s van scholieren waarbij heterogene ervaringen in één enkel, vooraf bepaald historisch verhaal gegoten werden.”

Niettemin was het mandaat van de commissie in hun aanpak gericht op het slachtoffer, wat een kleine revolutie was, omdat het de schadelijke pedagogie van de IRS om de inheemse waarheid te vernietigen door middel van een koloniale aanpak omkeert. Een stem geven aan inheemse volkeren, onderwijzen over het kolonialisme van Canada en een slachtoffergerichte commissie brengen de IRS-ideologie ten val. De nationale gebeurtenissen van de commissie bijvoorbeeld waren een vorm van voortdurende transformatie omdat ze het juiste narratief van inheemse empowerment terug deden gelden. Deze transformatie is mogelijk wanneer de overlevenden en hun gemeenschappen praten, en de dominante samenleving zit en luistert. Het symbolische karakter van de inspanningen van transitionele justitie heeft ook een positieve kant omdat het de pedagogie omkeert dat de ‘indiaan in het kind’ moet worden gedood door te proberen alles uit te roeien wat de inheemse identiteit van een kind vormt.

Transitionele justitie 2.0

Hoewel Canada koos en nog steeds kiest voor herstellende justitie, is het gevaar van het louter symbolisch blijven voelbaar. Het probleem met herstel en het gebruik van standaardmethodes rond transitionele justitie in niet-transitionele samenlevingen is dat ze de neiging hebben om de strijd te staken door de voortdurende invloed van het onrechtvaardige systeem waartegen ze opboksen. Verontschuldigingen, herstelbetalingen, waarheids- en verzoeningscommissies en andere middelen, zelfs als ze aanvankelijk door de overlevenden zijn gekozen, verliezen hun authenticiteit en kunnen de status quo verstevigen als het regime in een koloniale context blijft. Wil Canada slagen en een voorbeeld zijn voor andere democratieën, dan moet het beseffen dat er geen corrupt kunstmatig verleden is en een heden waarin de mensenrechten gerespecteerd worden; integendeel, door het zo op te vatten legitimeert het de onrechtmatige sociale orde en ontheft het de huidige bevolking van elke verdere vorm van verantwoordelijkheidszin.

Enkel focussen op individuele schade gaat ten koste van een systemische focus op soevereiniteit en landonteigening. De structurele kritiek van de commissie werd inderdaad benadrukt in de samenvatting van het eindrapport 2015 door het IRS-systeem te plaatsen in de context van Canada’s minachting voor de inheemse soevereiniteit en culturen. Het is opmerkelijk dat de aanpak van de commissie zelf, die zich meer richtte op de stemmen van de overlevenden en de nationale gebeurtenissen, verschilde van het eindrapport en de oproep van de commissie, die wel de systemische veranderingen benadrukten die nodig zijn om de gedane beloften na te komen. Hoewel er een verbetering is in de maatschappelijke evaluatie van de verzoeningsvooruitgang, krijgt de implementatie van de 94 oproepen (Calls to Action) uit het eindrapport langzaam vorm en werden er slechts symbolische aanbevelingen gedaan. Canada’s weg naar herstel moet niet te zeer gebonden zijn aan bepaalde gebeurtenissen en zich alleen richten op de IRS, maar moet zich meer richten op de oorsprong, de gevolgen van het kolonialisme en de machtsverhoudingen die het heeft gecreëerd en nog steeds in stand houdt, met als resultaat een systemische dekolonisatie-inspanning.

Auteur

Selen Kazan is doctoraatstudent en onderzoekmedewerker aan de Graduate School of Political Cohesion van de TU Dortmund. Haar onderzoek richt zich op transitionele justitie en hoe dit recentelijk in geconsolideerde democratieën wordt gebruikt om koloniale mistoestanden aan te pakken. Voor haar proefschrift richt ze zich op de Canadese waarheids- en verzoeningscommissie (TRC) en de vraag of deze een verzoenend effect heeft gehad. Hiervoor was ze een jaar lang gastonderzoeker aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Toronto, waar ze verschillende interviews afnam met betrokkenen, wetenschappers, inheemse organisaties en overlevenden.

Transitional Justice & Historical Redress

Dit artikel werd gepubliceerd in het kader van de speciale reeks Transitional Justice & Historical Redress, een samenwerking tussen Advocaten Zonder Grenzen en het Leuvens Instituut voor Criminologie.