Gevangenissen in Tunesië: inertie van de repressie

In Tunesië hebben de actoren van de strafrechtelijke keten de neiging om de repressieve reflexen van het vroegere regime van Ben Ali te bestendigen. De overbevolking in de gevangenissen blijft zeer hoog: een bezettingsgraad van ongeveer 131% met 23 607 gedetineerden eind 2020 (verdachten en veroordeelden samen) voor ongeveer 18 000 beschikbare plaatsen, met als gevolg omstandigheden die onder de internationale normen liggen.

De maatregelen genomen om de pandemie tegen te gaan, hebben een tijdlang geholpen om de cijfers in toom te houden. Tussen medio maart en eind april werden 8 551 gedetineerden vrijgelaten, een daling van de gevangenispopulatie met 37%. Deze daling was met name te danken aan de mobilisatie van verschillende organisaties uit het maatschappelijk middenveld, waaronder Advocaten Zonder Grenzen en haar partners binnen het project “L’Alternative”. Door steeds vaker op te roepen tot het verminderen van de gevangenispopulatie, heeft het maatschappelijk middenveld bijgedragen tot deze opmerkelijke daling van de bezettingsgraad in de gevangenissen.

Deze historische deflatie was echter slechts tijdelijk. De daling die het gevolg was van enkele conjuncturele maatregelen (presidentiële gratieverlening, minder voorlopige hechtenis en meer voorwaardelijke invrijheidstelling) werd al snel tenietgedaan door de structurele repressiedynamiek waaronder het Tunesische strafrechtelijke beleid nog steeds gebukt gaat.

Het conservatisme bij de rechters, de moeilijke toegang tot verdediging vanaf het moment van hechtenis, het massale gebruik van voorlopige hechtenis (62% van de gedetineerden zijn verdachten), opsluiting voor minder ernstige misdrijven (zoals het gebruik van cannabis of onbetaalde cheques), en het geringe gebruik van alternatieven voor gevangenisstraf zijn allemaal factoren die dit blijvende hoge opsluitingspercentage verklaren.

De mentaliteitsverandering en het loslaten van deze repressieve reflexen, met name bij de magistratuur, is een werk van lange adem. Daarom wordt bijzondere aandacht besteed aan het ontwikkelen van pleitbezorging bij actoren in de strafrechtelijke keten en politieke besluitvormers. Dit is des te belangrijker omdat er hervormingen bezig zijn voor het Strafwetboek en het Strafvorderingswetboek, die noodzakelijk zouden zijn voor elke significante structurele verandering.

Om bij te dragen tot de hervorming van het strafrechtelijke en gevangenisbeleid in Tunesië, blijft ASF samenwerken met haar partners, ondanks de vertraging bij de democratische transitie en een periode van politieke instabiliteit in Tunesië. Met name via haar project “L’Alternative” verleent de organisatie technische en financiële ondersteuning aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld die werkzaam zijn op verschillende niveaus binnen de strafrechtelijke keten (vóór, tijdens en na de hechtenis).

Mensenrechten, de grote afwezigen bij de aanpak van de Covid-19-crisis

Na een initiële ontkenning van de gezondheidscrisis als gevolg van Covid-19 keek de wereld met verbazing naar de ongeziene aard van de genomen maatregelen, en hun omvang. Meer dan de helft van de wereldbevolking kwam in lockdown terecht, met gevolgen voor het economische, social, fysieke en mentale leven die verschilden naargelang de individuele situatie en de structurele verschillen.

Zoals iedereen moest ook ASF haar werkwijze aanpassen, en dit in zeer verschillende en soms zeer veranderlijke contexten. Al snel kwam er een gemeenschappelijke noemer naar boven, ongeacht of het ging om landen met autoritaire regimes, in postconflictsituaties, in een democratisch transitieproces of in zogenaamde gevestigde democratieën: de mensenrechten waren bijna systematisch afwezig in het politieke discours en in de overwegingen die aan de besluitvorming voorafgingen. Toch heeft elke maatregel die in het kader van de gezondheidscrisis genomen werd, geleid tot een inperking van rechten en vrijheden, soms ook indirect. Zo heeft het verbod zich te verplaatsen niet alleen gevolgen gehad voor het recht op vrij verkeer, maar ook voor het recht op onderwijs, het recht op werk, en in sommige gevallen zelfs het recht op gezondheid of het recht op voedsel.

Terwijl een mensenrecht echter alleen ingeperkt kan worden door een wet en dit op een manier die in verhouding staat tot het nagestreefde doel. Dit gaat uiteraard steeds samen met het noodzakelijkheidsbeginsel, dat inhoudt dat de staat, wanneer geconfronteerd met een reeks opties, steeds de optie moet kiezen die het minste inbreuk maakt op rechten en vrijheden. Deze beginselen hadden als leidraad moeten dienen tijdens de denkoefening, maar ze vonden weinig weerklank in de politieke besluitvorming.

Strevend naar het verdedigen van de mensenrechten en het promoten van een aanpak die mensenrechten centraal plaatst, heeft ASF vanaf maart 2020, samen met haar partners, een project gelanceerd om de impact van de maatregelen in de strijd tegen Covid-19 op de mensenrechten en de principes van de rechtsstaat te monitoren in Tunesië, Oeganda, Indonesië, de Democratische Republiek Congo en België. Deze monitoring werd aangevuld met tal van acties rond de toegang tot het gerecht, met name met betrekking tot de overbevolking in de gevangenissen. De systematische integratie van een “Covid-19-benadering” heeft het mogelijk gemaakt om, ongeacht het politieke systeem, meerdere schendingen van de essentiële principes van bescherming en bevordering van de mensenrechten aan het licht te brengen. De gegevens die in deze landen verzameld zijn, ter illustratie van veel algemenere trends, geven een verontrustend beeld op wereldschaal.

Het ontbreken van een internationaal of zelfs regionaal bestuurskader voor deze kwesties heeft in de eerste plaats geleid tot ad-hoc-kettingreacties rond een bijna systematische versterking van de uitvoerende macht, zelfs wanneer er minder vrijheidsbeperkende oplossingen beschikbaar waren voor de politieke besluitvormers. Dit heeft geleid tot een belangrijke personificatie van de reactie, in die zin dat door deze ongekende versterkingen van de uitvoerende macht, zoals in Tunesië of Oeganda, de eerbiediging van de mensenrechten afhankelijk werd gemaakt van een beperkt aantal mensen, waarbij ook willekeur mogelijk een rol speelde.

Ook werd herhaaldelijk opgemerkt dat de genomen maatregelen vaak onduidelijk waren, zowel wat hun duur, als hun inhoud betreft. Het niet-naleven van sociale afstandsregels of lockdownmaatregelen ging vaak gepaard met criminaliserende maatregelen die het legaliteitsbeginsel van strafbare feiten en sancties herhaaldelijk hebben ondermijnd. In Indonesië werden dergelijke sancties opgelegd door administratieve overheden – niet door de nationale vertegenwoordiging – en soms zonder enige rechtsgrond. Er werd veel ruimte gelaten voor interpretatie door de veiligheidsdiensten, waardoor er ruimte was voor willekeur en potentieel misbruik, vooral in landen die al gekend staan als politiestaat. In sommige gevallen hebben de overheden niet geaarzeld om Covid-19 maatregelen te gebruiken om de civiele ruimte verder te beperken en mensenrechtenactivisten het zwijgen op te leggen.

Deze sterke neiging tot criminalisering, die zelfs tot de opsluiting heeft geleid van overtreders, staat, in een context van ernstige overbevolking in de gevangenissen, haaks op de door de overheden bepleite logica van social distancing. De opschorting van gerechtelijke activiteiten leidde bovendien tot een langere en mogelijk illegale opsluiting van personen in voorarrest of voorlopige hechtenis. De oproepen om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan, die al vóór deze gezondheidscrisis bestonden, werden nog luider door de toegenomen kwetsbaarheid van de gedetineerden en de onevenredige schending van hun rechten als gevolg van de opschorting van het bezoekrecht. Terwijl sommige landen, zoals Oeganda en Tunesië, uiteindelijk – soms slechts voorlopig – gedetineerden vrijlieten die bijna aan het einde waren van hun straf of die veroordeeld waren voor kleine vergrijpen, vervaagde het effect al snel doordat de gevangenisbevolking bijna even snel terug op hetzelfde peil of zelfs nog hoger, kwam te staan dan voor de crisis.

De situatie van de gedetineerden is slechts één voorbeeld van de mate waarin de gezondheidsmaatregelen op mensen die zich al in een kwetsbare situatie bevinden een verschillende, zelfs soms discriminerende impact hebben. De heropleving van gendergerelateerd geweld, met name in de intrafamiliale context, was systematisch; de reeds bestaande fragiliteit zorgde er niet alleen voor dat sommige mensen meer blootgesteld werden aan de gezondheidscrisis, maar ook aan de verwoestende socio-economische gevolgen ervan. Een studie uitgevoerd in België toonde dit zeer duidelijk aan: hoewel de maatregelen a priori neutraal waren in hun formulering, hadden ze bijzonder schadelijke gevolgen voor migranten, geracialiseerde personen en gedetineerden, en waren ze de facto indirecte discriminatiemaatregelen.

Uiteindelijk wijzen de verschillende waargenomen trends erop dat de structurele en individuele kwetsbaarheden die vóór de crisis reeds bestonden, alleen maar verergerd zijn. In een tijd waarin de vooruitzichten over het einde van de crisis onzeker zijn, is het belangrijker dan ooit om deze monitoring voort te zetten en te verankeren, en vooral om de op mensenrechten gebaseerde aanpak op te nemen in de bestuurs- en evaluatiemechanismen die het voorbije jaar opgezet werden. Het maatschappelijke middenveld werd al te zeer teruggedrongen tot hun rol van waakhond, zonder dat er ruimte was om constructief deel te nemen aan deze dialoog – met name op basis van gegevens die door ASF en haar partners verzameld werden.

Mensenrechten en de aanpak van de COVID 19 pandemie door Oeganda

>> Meer informatie over het monitoringiniatief + Lijst van artikels << Auteurs: Michael Musiime, Elisa Novic, Nathalie Vandevelde* Oeganda, gesterkt door zijn recente ervaring met het aanpakken van het ebolavirus, heeft een masterplan ontwikkeld om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan. Preventieve maatregelen werden vanaf 18 maart genomen, zelfs voordat het eerste geval van besmetting geregistreerd werd in het land. Terwijl het eerste geval geregistreerd werd op 22 maart, was het gezondheidspersoneel al in staat van paraatheid en waren preventieve maatregelen zoals het regelmatig wassen van de handen, al door de autoriteiten gepromoot. Dit artikel omvat de periode van 18 maart tot begin juni 2020. Gedurende deze période was er in het land een regelmatige stijging in het aantal gevallen van COVID-19, met bijna 700 geregistreerde gevallen. Een presidentieel en mondeling antwoord op de pandemische crisis Oeganda reageerde op de pandemische crisis door de facto de noodtoestand in te stellen. De president koos ervoor geen beroep te doen op artikel 110 van de Grondwet, dat hem de mogelijkheid biedt de noodtoestand uit te roepen met instemming van het Parlement. Hij verkoos een reeks verklaringen af te leggen met een onzekere wettelijk grondslag. De eerste werd uitgevaardigd op 18 maart 2020 en beoogde het opleggen van verplicht thuisblijven en een strikte avondklok door middel van 34 maatregelen (bv. de sluiting van de scholen, cafés en kerken; een quarantaine van 14 dagen bij aankomst in het land; het verbod om Oeganda binnen te komen). Het ministerie van gezondheid heeft deze vervolgens afgekondigd in een reeks decreten en verordeningen, zoals voorzien in Sectie 29 van de wet op de volksgezondheid CAP. 281, die de minister van gezondheid uitgebreide bevoegdheden toekent om de verspreiding van pandemieën aan te pakken en te voorkomen. De meeste van deze maatregelen werden echter uitsluitend op basis van presidentiële richtlijnen ten uitvoer gelegd, en zelfs voordat deze in decreten en verordeningen van de minister van volksgezondheid werden afgekondigd. Zo werd de presidentiële richtlijn van 18 maart pas op 24 maart als ministerieel decreet in het staatsblad gepubliceerd. Maar presidentiële verklaringen zijn op zich niet juridisch bindend. Ook al bevat de website van de president de transcripties van de richtlijnen van president Museveni, de Oegandezen moeten zich wenden tot de media om zich te informeren over de beperkingen van hun rechten en vrijheden in de context van de crisis. Deze rapporten zijn het vaakst beschikbaar in het Engels, zonder officiële vertaling in lokaal gesproken talen. Deze manier van besturen staat haaks op de internationale standaarden inzake de bescherming van mensenrechten. Zo zegt het Afrikaans Handvest voor de Rechten van Mens en Volken dat elke beperking van de mensenrechten – zoals bijvoorbeeld de vrijheid van verkeer of de vrijheid van vreedzame vergadering (artikels 11en 12) – moeten voorzien zijn door de wet en beperkt worden tot het doel van behoud van “de nationale veiligheid, openbare orde, openbare gezondheid of de goede zeden”.» Het neutraliseren van de scheiding der machten Wat op het spel staat is niet louter theoretisch. Het besluit om de noodtoestand niet uit te roepen heeft het Parlement zijn grondwettelijke rol van controle en tegenwicht ontnomen ten aanzien van de uitzonderlijke bevoegdheden die de uitvoerende macht zich de afgelopen maanden heeft toegeëigend om de individuele vrijheden van zijn burgers te beperken. De acties van het Parlement zijn echter ook niet vrij van kritiek gebleven, met zijn besluit aan het begin van de crisis om 20 miljoen shilling (4.800 euro) aan elk van zijn leden toe te kennen, op hun persoonlijke rekening, om de pandemie in hun kiesdistricten te bestrijden. Het Hooggerechtshof beval de parlementsleden uiteindelijk om deze middelen te betalen aan de parlementaire commissie, aan de nationale COVID-19-werkgroep of aan de regionale COVID-19-werkgroepen. Een dergelijk vonnis blijft een uitzondering, aangezien de hoorzittingen met ingang van 20 maart zijn opgeschort, met uitzondering van dringende verzoeken en verzoeken om voorwaardelijke vrijlating. De gerechtelijke diensten zijn dus tot een minimum beperkt, voornamelijk om te reageren op het aanspannen van een kort geding betreffende de rechtsbedeling. Zo heeft een advocaat bij het Hooggerechtshof het besluit van het ministerie van volksgezondheid aangevochten om de rechtsbijstanddiensten niet op te nemen in een lijst van “essentiële diensten”, argumenterend dat dit een schending van het recht op een eerlijk proces was. Terwijl het proces aan de gang was, kondigde de president uiteindelijk nieuwe richtlijnen aan die het mogelijk maken dat maximaal 30 advocaten tegelijk dringende rechtsbijstand kunnen verlenen. Het Hooggerechtshof heeft het ministerie van volksgezondheid uiteindelijk bevolen de richtlijn verder uit te voeren door middel van standaardwerkwijzen. De machtsconcentratie in de handen van de uitvoerende macht zonder effectieve parlementaire of gerechtelijke controle, in combinatie met een gebrek aan duidelijkheid over de status en de inhoud van de maatregelen die zijn genomen om de pandemie in te dammen, vormde een vruchtbare voedingsbodem voor het plegen van misbruiken bij de uitvoering van de maatregelen. Vermeldenswaardig zijn met name het buitensporige gebruik van geweld door de ordediensten, waaronder de lokale defensie-eenheden (Local Defence Unit), om de beperkende maatregelen af te dwingen, alsmede het lastigvallen van journalisten en mensenrechtenactivisten. Dit alles maakt deel uit van een groeiende trend om de ruimte voor burgers en het maatschappelijk middenveld in Oeganda te beperken. Deze onderwerpen zullen verder worden uitgewerkt in toekomstige artikelen over de rechtsbedeling en de gevolgen van bewegingsbeperkingen voor de rechten en vrijheden van de Oegandezen. * De auteurs wensen Irene Anying en Romain Ravet te bedanken voor hun bijdrage aan de eerste versie van dit document, alsook LASPNET Oeganda en in het bijzonder Badru Walu, voor zijn assistentie bij de verzameling van gegevens.

Sleutels voor rechtstoegang in Centraal-Afrikaanse Republiek

Advocaten Zonder Grenzen is al sinds 2015 actief in de Centraal-Afrikaanse Republiek. De organisatie voert er verschillende projecten en studies om de rechtstaat te versterken en de rechtstoegang te bevorderen. Dankzij haar werk op het terrein heeft ASF kunnen vaststellen dat de CentraalAfrikaanse burgers, die maar moeilijk toegang hebben tot een advocaat en tot een kwalitatief rechtssysteem van de overheid, dit rechtssysteem grotendeels hebben opgegeven ten voordele van lokale actoren zoals wijkchefs, religieuze leiders, middenveldorganisaties, etc. Voor ASF stemt elke strategie voor ontwikkelingshulp die geen rekening houdt met deze verscheidenheid aan actoren en praktijken voor conflictoplossing niet met de noden en middelen om op te treden, en zal deze bij voorbaat gedoemd zijn om te mislukken.

Een falend rechtssysteem van de overheid

Het gerechtelijke apparaat in de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat al fragiel was vóór de crisis van 2013, is helemaal ingestort sinds de crisis. Wanneer Centraal-Afrikanen gebruik willen maken van het rechtssysteem, stoten zij op talrijke obstakels. Enerzijds wordt de materiële toegang tot de rechtszaal bemoeilijkt door het feit dat er weinig overheidsrechtbanken zijn buiten de hoofdstad. Anderzijds werpt de politie zich dikwijls op als rechterlijke instantie en behandelt zij, intern en zonder wettelijke bevoegdheden, de gevallen die hen worden gemeld. Zo worden talrijke gevallen van corruptie, afpersing, intimidatie en willekeurige opsluiting gemeld.

Beperkt toegankelijke advocaten

De hoge kostprijs van de dienstverlening, het ernstige personeelstekort en de aard van de behandelde zaken (vooral in het economisch recht), maken de toegang tot een advocaat weinig realistisch voor de overgrote meerderheid van de Centraal-Afrikanen. Advocaten genieten ondanks alles het vertrouwen van de bevolking. Veel burgers zeggen bereid te zijn om hun zaken toe te vertrouwen aan advocaten, op voorwaarde dat de tarieven in verhouding staan hun middelen.

Een overwegend alternatief rechtssysteem

Gezien de beperkte aanwezigheid van gerechtelijke instellingen van de overheid en hun misbruiken, maken veel Centraal-Afrikanen gebruik van lokale fora om hun geschillen op te lossen (dorpschefs, wijkchefs, religieuze leiders, etc.). Deze alternatieve vorm van justitie heeft dan wel het voordeel dat ze toegankelijker is, maar ze is niet vrij van kritiek. Enerzijds leidt het tot bevoegdheidsconflicten en verwarring bij de burgers. Anderzijds worden er ook gevallen van discriminatie, corruptie en intimidatie gemeld.

De noodzaak om het Centraal-Afrikaanse rechtssysteem in zijn geheel aan te pakken

Op het terrein stelt ASF vast dat veel strategieën die bedacht werden om de rechtstoegang in de Centraal-Afrikaanse Republiek te verbeteren zich beperken tot de versterking van het rechtssysteem van de overheid. Volgens ASF houden deze strategieën onvoldoende rekening met de verscheidenheid aan actoren en praktijken en stemmen zij niet overeen met de werkelijkheid. Daarom zijn zij gedoemd om te mislukken. ASF dringt er daarom bij alle actoren die zich inzetten voor de rechtstoegang in de Centraal-Afrikaanse Republiek op aan om rekening te houden met deze werkelijkheid en om hun interventiestrategieën dienovereenkomstig aan te passen. Om meer te weten te komen over de studies die ASF uitvoerde in Centraal-Afrika, kan u hier klikken.
Fotos © ASF / Gaïa Fisher – Cynthia Benoist

Mensenrechtenorganisaties zijn onmisbare actoren geworden in Tsjaad

N’Djamena, 27 juni 2019 – In Tsjaad ondersteunt ASF de mensenrechtenorganisaties om de impact en draagwijdte van hun activiteiten te vergroten. In maart zijn we eropuit getrokken om burgers, lokale autoriteiten, gerechtelijke actoren en leden van mensenrechtenorganisaties te vragen naar hun mening over het werk van deze organisaties. Tijdens de gesprekken, die plaatsvonden in Bongor, Moundou en Sarh, getuigden alle geïnterviewden van een grote tevredenheid over de activiteiten van de mensenrechtenorganisaties. De rechtszoekenden zijn blij met de bewustmakingscampagnes en de individuele begeleiding die de mensenrechtenorganisaties organiseren. Hierdoor kunnen zij niet alleen kennis nemen van hun rechten, tot dan onbekend, maar kunnen zij ook waardevolle bijstand te ontvangen om hun klachten en verzoekschriften op te stellen. Als wensen benoemen zij de intensifiëring en uitbreiding van de activiteiten van mensenrechtenorganisaties in het hele land, zoals deze deelnemer getuigt: « Door hun oriëntering, raad en bewustmaking helpen mensenrechtenverdedigers echt al diegenen die om hun diensten vragen. Wij tasten in het duister en het zijn de mensenrechtenorganisaties die ons helpen. » Ook al geven ze toe dat er in het verleden soms terughoudendheid is geweest ten aanzien van de mensenrechtenorganisaties, wijkchefs, prefecten en andere provinciale autoriteiten erkennen vandaag dat er overeenstemming is tussen hun missie en die van de mensenrechtenorganisaties, namelijk het garanderen van de veiligheid van personen en hun bezittingen. Daar waar sommigen de mensenrechtenorganisaties kwalificeren als “kompas dat ons gidst in onze missie”, onderstrepen anderen hun “voortreffelijke werk”. Ze hopen op een intensifiëring van de activiteiten van de mensenrechtenorganisaties en op een versterking en verbetering van hun samenwerking. De rechters en de griffiers zien hun werk vereenvoudigd door het werk van de mensenrechtenorganisaties. Ze stellen vast dat de burgers, die eerst bij deze organisaties zijn geweest alvorens in rechte op te treden, beter voorbereid zijn op de zittingen. Ze begrijpen hun rechten beter, beheersen de procedures beter, beschikken over klachten en verzoekschriften van betere kwaliteit en vinden het makkelijker om te antwoorden op vragen die hun gesteld worden. Een geïnterviewde griffierster waarschuwt niettemin voor praktijken van sommige leden van mensenrechtenorganisaties die de rechtszoekenden soms pushen om stappen te zetten die ze eigenlijk niet willen of ze stellen zich partijdig op. De procureurs bevestigen de complementariteit tussen hun werk en dat van de mensenrechtenorganisaties: « Naar mijn mening is de aanwezigheid van mensenrechtenorganisaties op het terrein een troef voor de magistraat. Deze is gebonden aan zijn kantoor, het is de mensenrechtenverdediger die hem meer informatie verstrekt over wanpraktijken. De magistraat trekt er de gevolgen uit alvorens de vervolging te starten. Het is dankzij mensenrechtenverdedigers dat wij over vreselijke prakijken horen die zich voordoen in de afgelegen gebieden in Tsjaad. » Sommige procureurs nodigen mensenrechtenorganisaties niettemin uit om voorzichtig te zijn en hun informatie te verifiëren, omdat hun klachten anders soms niet gestaafd zijn. De geïnterviewde leden van mensenrechtenorganisaties rapporteren op hun beurt dat, hoewel relaties met de autoriteiten in bepaalde regio’s conflictueus blijven, er toch een verbetering en een wil tot dialoog geobserveerd kunnen worden. Ze betreuren dat er een vorm van onbegrip van hun rol blijft en dat dit onbegrip tot conflictueuze relaties leidt met bepaalde autoriteiten en tot verwarring bij de burgers. Om daaraan tegemoet te komen en om meer mensen te helpen, rekenen ze erop om hun activiteiten te intensifiëren. Maar ze willen er ook aan herinneren dat dit beperkt zal zijn omwille van budgettaire moeilijkheden. Deze interviews werden uitgevoerd door het Collectief van Verenigingen voor de Verdediging van de Mensenrechten (CADH) in Tsjaad, met technische ondersteuning van ASF en financiële ondersteuning van de Europese Unie en de Ambassade van Frankrijk in Tsjaad.   >> Download de volledige fotoreportage  
Foto’s © CADH & Saturnin Asnan Non-Doum voor het CADH en ASF

Tunesië: de noodtoestand om de inperking van rechten en vrijheden te rechtvaardigen

Tunis, 2 april 2019 – ASF en acht van haar partners die verenigd zijn in de Alliantie voor de Veiligheid en de Vrijheden, roepen Tunesische volksvertegenwoordigers op om het wetsontwerp met betrekking tot de organisatie van de noodtoestand in zijn huidige vorm niet aan te nemen. In plaats van de veiligheid in het land te verbeteren, ondermijnt het wetsontwerp de rechten en vrijheden van de burgers en haalt het grondwettelijke waarborgen onderuit. De noodtoestand maakt het voor de autoriteiten mogelijk om uitzonderlijke maatregelen te treffen in geval van dreigend gevaar voor het land. Deze maatregelen, die gepaard gaan met het versterken van de uitvoerende macht ten opzichte van andere machten, zijn vanwege hun aard funest voor de vrijheid. Het is dus essentieel dat zij de principes van proportionaliteit en noodzakelijkheid respecteren die ingeschreven staan in artikel 49 van de Grondwet. De rechterlijke en wetgevende machten moeten deze beperkingen van de rechten en vrijheden kunnen controleren. Personen die door de maatregelen getroffen worden moeten daarvan op de hoogte gebracht worden en moeten deze kunnen aanvechten voor de rechtbank. “Echter”, legt Oumayma Mehdi uit, Projectcoordinatrice voor ASF in Tunesië, “het door de President van de Republiek voorgestelde wetsontwerp biedt op dit vlak geen garanties. Het bevat talrijke onduidelijkheden en onjuistheden die aanleiding kunnen geven tot ernstige schendingen van de door de Grondwet gewaarborgde fundamentele rechten en vrijheden.” Zo definieert het wetsontwerp de noodtoestand op basis van “het voorvallen van ernstige gebeurtenissen”, zonder de begrippen “gebeurtenis” noch “ernstig” te omschrijven. Het wetsontwerp preciseert evenmin dat de administratieve maatregelen die in het kader van de noodtoestand genomen worden, als doel moeten hebben de snelle terugkeer naar een normaal functioneren van de instellingen te garanderen. In zijn huidige versie voorziet het wetsontwerp dat de noodtoestand tot 6 maanden kan duren, en vervolgens met 3 maanden verlengd kan worden, zonder het maximale aantal toegestane verlengingen aan te geven. De tekst geeft een quasi-absolute macht aan de uitvoerende macht via administratieve, vrijheidsbeperkende en impertinente maatregelen waarvan de voorwaarden onvoldoende gepreciseerd zijn: verbod op verblijf; huisarrest; verbod op vergaderingen, samenkomsten, optochten en betogingen; onderschepping van telefoongesprekken en correspondenties; opschorting van activiteiten en van verenigingen… Bovendien voorziet het wetsontwerp niet in voldoende of effectieve rechtsmiddelen, noch in parlementair toezicht. Tot slot voorziet het wel in buitensporige en discriminerende straffen in geval van niet-naleving van de door de autoriteiten getroffen maatregelen. “In zijn huidige versie is het wetsontwerp een middel om overmatig gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen te rechtvaardigen, en geen middel om een snelle terugkeer naar de rechtsstaat te verzekeren. Om al deze redenen roepen wij de volksvertegenwoordigers op om dit wetsontwerp in zijn huidige vorm niet aan te nemen,  maar om het grondig te herzien,” besluit Oumayma Mehdi. >> Download de volledige analyse van het wetsontwerp (in het Frans en in het Arabisch) * Het betreft Al Bawsala, het Tunesische Forum voor de Economische en Sociale Rechten, Jamaity, de Tunesische Liga voor de Mensenrechten, Mobdiun, de Wereldorganisatie tegen Foltering, Psychologen van de Wereld-Tunesië, en Solidar Tunisie.

Tsjaad: justitie in alle staten (4/4)

N’Djamena, 26 november 2018 – Aan de hand van gesprekken met vier persoonlijkheden die zich engageren voor de verdediging van de mensenrechten, brengt ASF u deze herfst een portret van justitie in Tsjaad. Meester Guerimbaye Midaye is advocaat bij de Balie van Tsjaad. Hij is al bijna 30 jaar actief binnen de Tsjaadse Liga voor de Mensenrechten (LTDH), waarvan hij momenteel voorzitter is. Het is voor hem de evidentie zelve om zijn rol als advocaat te combineren met die van mensenrechtenverdediger: “De link tussen de twee is heel sterk.” Hoe is de LTDH ontstaan? Mr. Midaye: De LTDH werd opgericht in 1991, kort nadat het regime van Hissène Habré werd omvergeworpen. We zijn de oudste vereniging voor de verdediging van de mensenrechten in Tsjaad. Tijdens de eerste jaren van ons bestaan, zagen de mensen ons aan voor een politieke organisatie. Wij hebben de autoriteiten en de bevolking toen moeten doen begrijpen dat het verdedigen van de mensenrechten niet gelijkstaat aan strijden voor de verovering van de macht. Wij onderwerpen het beheer van de publieke zaak en het bestuur aan een kritische blik, maar dat maakt van ons nog geen oppositiepartij. Waarin bestaat het werk van de LTDH? Mr. Midaye: Wij ijveren voor de toepassing van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en van de conventies die door Tsjaad geratificeerd zijn. Onze acties gaan onder andere over de bewustmaking van de bevolking, maar ook over de vulgarisering van het recht, het aankaarten van schendingen, en de juridische en gerechtelijke ondersteuning van mensen van wie de rechten met de voeten getreden werden. Houdt de LTDH zich bezig met gewoonterecht? Mr. Midaye: Inderdaad ja. Onder het mom van de gewoonte, nemen traditionele chefs soms gedragingen aan die een aanslag vormen op het leven of op de fysieke integriteit. Wij maken hen bewust dat de menselijke persoon boven alles verheven is, wat de gewoontes ook mogen zijn. Laten we het voorbeeld nemen van de kind-veehoeders: kinderen, soms nog heel jong, werken als herders voor veetelers, in omstandigheden die vaak aanleunen bij slavernij. Wij ijveren ervoor dat hun rechten gerespecteerd worden. Wij strijden ook tegen de praktijk van vrouwenbesnijdenis. Jullie geven ook juridische adviezen… Mr. Midaye: Wij proberen zo goed mogelijk de mensen die bij ons komen te oriënteren, in functie van de zaken die ze ons voorleggen. Indien nodig begeleiden wij hen om hun rechten te doen gelden voor een rechter. De wet voorziet dat eenieder die vervolgd wordt in een strafzaak moet bijgestaan worden door een advocaat. Echter, op verschillende plaatsen is er geen advocaat. Om dit euvel te verhelpen wijst de rechter voor deze functie over het algemeen zomaar iemand aan die Frans spreekt. Je kan Frans spreken maar toch volledig de essentie missen wanneer het over de verdediging van iemands rechten gaat! Met de LTHD nemen wij regelmatig dossiers over van mensen die zich in zo’n situatie bevinden en zware straffen riskeren. Twee jaar geleden heb ik bijvoorbeeld een vijftigtal verdachten verdedigd in het proces te Moussoro. Wij helpen ook mensen die in vrijheid gesteld zijn om terug bij hun familie te komen, soms aan de andere kant van het land. Volgens u is de link tussen het werk van advocaten en van middenveldorganisaties zoals de LTDH zeer sterk. Mr. Midaye: Je moet weten dat er erg weinig juristen zijn binnen de middenveldorganisaties. Mijn opleiding als advocaat en mijn kennis van juridische procedures zijn belangrijke troeven bij de verdediging van de mensenrechten. De link tussen de twee aspecten is zeer sterk. Advocaat zijn laat mij toe om het raderwerk van het gerechtelijke apparaat te begrijpen, om in contact te zijn met de verschillende actoren ervan, en om mensen van wie de rechten met de voeten getreden zijn correct advies te geven. Dikwijls weten deze slachtoffers niet op welke deur ze moeten aankloppen. Ik toon hen dan de juiste deur. Sommigen worden advocaat om rijk te worden. Echter, mensenrechtenverdediger zijn, betekent dat je aanvaardt nederig te zijn, om een zaak te dienen zonder enige bezoldiging te verwachten. De grootste beloning krijg ik wanneer iemand die ik uit de problemen heb gehaald mij zegt: “Ontzettend bedankt!”. Zoiets betekent veel meer voor mij dan het geld dat ik krijg wanneer ik een zaak in de rechtbank heb gewonnen. Hoe zou u het functioneren van justitie in Tsjaad beschrijven? Mr. Midaye: Dat is een catastrofe. En ik kies mijn woorden zorgvuldig. Het steeds weerkerende probleem van corruptie geeft de burgers het gevoel dat enkel rijke mensen kunnen winnen. Echter, niet iedereen is rijk. Daarnaast is er een probleem van tweetaligheid. Sommige belangrijke justitieactoren – met inbegrip van rechters – beheersen het recht helemaal niet… en ook het Frans helemaal niet, terwijl dit de taal is waarin onze wetten geschreven zijn. Wanneer ik pleit voor een rechter die niet begrijpt wat ik zeg, dan voel ik mij als advocaat een oplichter. Ik heb het gevoel de persoon op te lichten die mij betaald heeft om in zijn naam op te treden. Een oplossing zou natuurlijk zijn om het Arabisch te integreren in het functioneren van justitie… maar de Tsjaadse overheid onderneemt geen enkele actie in die zin. Welke rol ziet u voor Advocaten Zonder Grenzen in het land? Mr. Midaye: Het is essentieel dat de burgers zich hun rechten eigen maken en dat ze weten hoe en bij wie zij hun rechten kunnen laten gelden. Ik wens dat ASF ons in die aanpak ondersteunt. ****
Interview door Victor Odent, landelijk directeur van ASF in Tsjaad.
Wat voorafging: – Gesprek met Mr. Doumra Manassé, advocaat in N’Djamena. – Gesprek met Mr. Delphine Djiraibe, voorzitster van het Public Interest Law Centre. – Gesprek met Dhr. Pyrrhus Banadji Boguel, voorzitter van het Collectief van Verenigingen voor de Verdediging van de Mensenrechten in Tsjaad.
ASF is sinds 2012 aanwezig in Tsjaad en heeft er samen met justitieactoren op het terrein meerdere projecten, met de steun van de Europese Unie. Deze interviewreeks stelt een doorsnede voor van de verschillende partners van ASF in Tsjaad.
Foto: Mr. Guerimbaye Midaye

Tsjaad: justitie in alle staten (3/4)

N’Djamena, 19 november 2018 – Aan de hand van gesprekken met vier persoonlijkheden die zich engageren voor de verdediging van de mensenrechten, brengt ASF u deze herfst een portret van justitie in Tsjaad. Pyrrhus Banadji Boguel is voorzitter van het Collectief van Verenigingen ter Verdediging van de Mensenrechten. Deze jurist, die al altijd gedreven is door de wil om zijn gemeenschap te dienen, verdedigt de mensenrechten om “een stem te geven aan de mensen die het recht niet hebben zich te laten horen”. Wat is het Collectief van Verenigingen ter Verdediging van de Mensenrechten (CADH)? Pyrrhus Banadji Boguel: Het CADH werd opgericht in 1998 om de synergieën te versterken tussen organisaties die de mensenrechten verdedigen* en hen te ondersteunen in hun rol: bijdragen aan de oprichting van een echte rechtstaat in Tsjaad en aan het respect van goed bestuur en mensenrechten. Gedurende 20 jaar heeft het Collectief zijn missie van bewustmaking en capaciteitsversterking van Tsjaadse burgers ten volle vervuld. Het heeft actief deelgenomen aan het politieke, economische en sociale leven van het land, bijvoorbeeld door de machthebbers te wijzen op hun verantwoordelijkheden om de mensenrechten te waarborgen en te beschermen, en door gevallen van schendingen van deze rechten aan te klagen. Het Collectief heeft objectieve en pertinente analyses gemaakt van de ontginning van natuurlijke hulpbronnen, de strijd tegen straffeloosheid, de rechtstoegang voor kwetsbare mensen, de strijd tegen willekeurige en onwettige arrestaties, de strijd tegen geweld op basis van gender, of de controle van de strafvervolging. Hoe ziet u uw rol als mensenrechtenverdediger? P.B.B.: Een mensenrechtenverdediger is iemand die dichtbij de mensen staat die overal veraf staan, en er zijn veel mensen in Tsjaad die overal veraf staan! Hij is de woordvoerder van iedereen die het recht niet heeft om zich te laten horen. Veel van onze medeburgers zijn slachtoffer van onrecht, bijvoorbeeld misbruik en oplichting door politieagenten, rijkswachters of administratieve en militaire autoriteiten. Zij weten niet meer van welk hout pijlen maken. Ze hebben geen toegang tot essentiële basisdiensten zoals gezondheid, onderwijs en voeding. Onze rol bestaat erin om de stem te laten horen van deze stemlozen, om te vechten tegen sociale onrechtvaardigheid, ongelijkheid, oplichting, en het rechtsmisbruik waar zij slachtoffer van zijn. Deze overtuiging motiveert mij al altijd. Met welke uitdagingen worden de mensenrechtenverdedigers geconfronteerd? P.B.B.: Meerdere! De verdedigers zijn vaak het voorwerp van verschillende soorten bedreigingen, misbruik en intimidatie. De overheden miskennen hun rol en garanderen hun geen veilige werkomgeving. Kan u het functioneren van justitie in Tsjaad beschrijven? P.B.B.: Ons gerechtelijk systeem kent nog steeds alle moeite van de wereld om tegemoet te komen aan het diepgewortelde streven van de bevolking naar rechtstoegang. Het systeem is ziek, aangetast door de herhaalde inmenging van administratieve en militaire autoriteiten in gerechtelijke zaken. Met als gevolg schendingen van de fundamentele rechten van burgers, het verdwijnen van belangrijke dossiers, de corruptie van magistraten en hulprechters, benoemingen die elementaire anciënniteitscriteria niet respecteren, gekrakeel tussen de magistratenvakbonden, enz. Daarbij komen nog andere problemen zoals de veroudering van de infrastructuur, de zwakke informatie van de burgers met betrekking tot het recht, de veel te hoge honoraria in vergelijking met de middelen van de bevolking, de gebrekkige uitvoering van gerechtelijke beslissingen, de traagheid… dit alles maakt de rechtstoegang complex en moeilijk voor de Tsjaadse burgers, die zich bijgevolg soms wenden tot op wraak gebaseerde eigenrichting. De oprichting, op termijn, van een gerechtelijk systeem dat aandacht heeft voor het respect van de individuele vrijheden en de fundamentele rechten van de burger moet een prioriteit zijn voor de politieke autoriteiten. Om haar blazoen weer op te poetsen en justitie haar adelbrieven terug te geven, moeten de aanbevelingen van de Staten-Generaal van justitie van 2003 uitgevoerd worden en moeten de inspanningen voortgezet worden die sindsdien geleverd worden. Een staat kan niet geconsolideerd worden zonder justitie.
* Het CADH groepeert momenteel zes organisaties: Action des chrétiens pour l’abolition de la torture (“Actie van christenen voor de afschaffing van foltering”, ACAT-Tchad), Association pour la promotion des libertés fondamentales au Tchad (“Vereniging voor de bevordering van fundamentele vrijheden in Tsjaad”, APLFT, waarvan Pyrrhus Banadji Boguel ook voorzitter is), Association tchadienne pour la promotion et la défense des droits de l’Homme (“Tsjaadse vereniging voor de bevordering en de verdediging van de mensenrechten”, ATPDH), Association tchadienne pour la non-violence (“Tsjaadse vereniging voor geweldloosheid”, ATNV), Ligue Tchadienne des Droits de l’Homme (“Tsjaadse Liga voor de Mensenrechten”, LTDH) en Tchad non-violence (“Tsjaad geweldloosheid”, TNV).
****
Interview door Victor Odent, landelijk directeur van ASF in Tsjaad.
Wat voorafging: – Gesprek met Mr. Doumra Manassé, advocaat in N’Djamena. – Gesprek met Mr.  Delphine Djiraibe, voorzitster van het Public Interest Law Centre.
Wat volgt: – Gesprek met Mr. Guerimbaye Midaye, erevoorzitter van de Tsjaadse Liga voor de Mensenrechten.
ASF is sinds 2012 aanwezig in Tsjaad en heeft er samen met justitieactoren op het terrein meerdere projecten, met de steun van de Europese Unie. Deze interviewreeks stelt een doorsnede voor van de verschillende partners van ASF in Tsjaad.
Foto: Mr. Pyrrhus Banadji Boguel

Tsjaad: justitie in alle staten (2/4)

N’Djamena, 12 november 2018 – Aan de hand van gesprekken met vier persoonlijkheden die zich engageren voor de verdediging van de mensenrechten, brengt ASF u deze herfst een portret van justitie in Tsjaad. Deze week is het Meester Delphine Djiraibe, oprichtster van het Public Interest Law Center, die het met ons heeft over de fundamentele rol van parajuristen als eerste gesprekspartners van de Tsjaadse bevolking inzake justitie. Delphine Djiraibe, voormalig voorzitster van de Tsjaadse Vereniging voor de bevordering en verdediging van de mensenrechten (ATPDH), richtte het Public Interest Law Center (PILC) op in 2006. De organisatie, die aanwezig is op 14 plaatsen doorheen het land, bevordert de democratie en de rechtstaat, en geeft juridische en gerechtelijke bijstand aan de allerarmsten. Daarvoor vormt en begeleidt ze lokale actoren, “parajuristen” genoemd. Wat is een parajurist? Mr. Delphine K. Djiraibe: Parajuristen zijn mannen en vrouwen die het recht toegankelijker maken voor de bevolking, op vrijwillige basis. Ze zijn heel vaak geen juridische professionals maar eenvoudige dorpelingen die wij selecteren, opleiden en begeleiden. Wij geven hen een inleiding tot de basisbegrippen inzake mensenrechten, en organiseren opleidingsmodules over de juridische problemen die het vaakst voorkomen bij de mensen in hun gemeenschap, zoals geweld tegen vrouwen of discriminatie in verband met erfkwesties. De opleidingen gaan ook over het recht op een gezonde leefomgeving, het recht op onderwijs, en ook over het stemrecht en het belang voor burgers om een controlerende rol uit te oefenen met betrekking tot de acties van beleidsmakers. Tegenwoordig zijn ongeveer 220 parajuristen voor PILC actief in Tsjaad. Ze dragen bij aan de preventie van conflicten, voornamelijk via de bewustmaking en het informeren van de bevolking met betrekking tot hun rechten en plichten en toepasselijke gerechtelijke procedures. Met betrekking tot conflictbeheersing gaan hun activiteiten voornamelijk over het geven van bijstand en advies aan de bevolking, het faciliteren van minnelijke schikkingen en bemiddeling tussen partijen bij een conflict, het oriënteren richting andere dienstverleners (waaronder het PILC) en/of richting de rechtbanken wanneer nodig (bijvoorbeeld in het geval van strafzaken), en uiteindelijk de begeleiding van burgers bij de stappen voor ze naar de rechtbank gaan. Parajuristen spelen dus een essentiële rol bij de rechtstoegang voor burgers! Mr. D.K.D : Exact! In Tsjaad, waar formele gerechtelijke structuren zeer ver van de burgers af staan en waar de meerderheid van de mensen niet de middelen heeft om een beroep te doen op een advocaat, zijn zij de echte ambassadeurs van het recht bij de bevolking. Neem bijvoorbeeld het geval van een vrouw die door haar man in de steek gelaten werd. Ze wist niet dat ze bepaalde rechten had. Dankzij de interventie van een parajuriste heeft zij een alimentatievergoeding in natura (zakken sorghum, shea-olie) bekomen, wat haar toelaat om aan haar behoeften te voldoen en aan die van haar kind. De tussenkomst van parajuristen maakt het mogelijk dat er niet systematisch een beroep gedaan moet worden op de politie en de autoriteiten. Ze draagt ook bij aan de ontlasting van de rechtbanken. Het is belangrijk te weten de gerechtelijke achterstand in het land enorm is. Talrijke dossiers wachten al jarenlang op een beslissing. Dit is te wijten aan de vele stakingen van het justitiepersoneel, maar ook aan de endemische corruptie en het gebrek aan onafhankelijkheid van het gerechtelijke systeem. Het belang van de rol van parajuristen wordt steeds meer erkend, zowel door de mensen die van hun diensten gebruikmaken als door de formele en traditionele autoriteiten die hen van bij het begin zagen als concurrenten die hun verworvenheden bedreigden. Eigenlijk zijn de parajuristen echte medewerkers geworden van traditionele chefs bij het oplossen van conflicten. Hun interventie staat toe dat deze conflictoplossing gedaan wordt “volgens de regels van de kunst” en dat gender- of andere vormen van discriminatie, die aanwezig zijn in bepaalde traditionele structuren, niet in de hand gewerkt worden.
Madjibarné, parajuriste in Tsjaad © Selma Khalil voor ASF
Voor welke uitdagingen staan parajuristen in hun dagelijkse werk? Mr. D.K.D: Hun werkomstandigheden zijn vaak moeilijk. Ze investeren hun tijd terwijl veel van hen ook een ander beroep uitoefenen. Ze zijn erg druk bevraagd, ook in nabijgelegen dorpen. Het gebrek aan transport- en communicatiemiddelen verhindert hen om de meest afgelegen gebieden te bereiken. Vaak beschikken ze niet over een geschikt lokaal. De parajuristen zijn zeer geëngageerde mensen en, zoals ik eerder al zei, vrijwilligers. Nu hun rol steeds belangrijker wordt, wordt de vraag steeds urgenter met betrekking tot hun verloning (“belangeloosheid”) of op zijn minst de vergoeding van hun onkosten: hoe organiseren we dit en hoe garanderen we de duurzaamheid? Een van de pistes is om een mutualiteit op te zetten. De algemene onveiligheid in het land levert ook nog een andere uitdaging op. Een parajurist die zich van het ene naar het andere dorp verplaatst voor zijn werk, loopt het risico om aangevallen of belaagd te worden. In sommige gebieden waar de PILC actief is, zijn conflicten tussen veehouders en landbouwers talrijk en soms erg gewelddadig.* In 2016 hebben alle middenveldorganisaties die met parajuristen werken samen, met de steun van ASF, een gemeenschappelijk statuut voor de parajuristen uitgewerkt. Dit statuut wil de regels en principes harmoniseren die het werk van parajuristen beheersen. Het statuut moet nu in de praktijk gebracht worden. Binnen het PILC hebben wij ook het plan om de parajuristen met elkaar in verbinding te stellen, zodat ze moeilijkheden kunnen bespreken en goede praktijken kunnen uitwisselen. Wij hebben verantwoordelijken aangeduid om de verbinding tussen iedereen te verzekeren. Wat duidelijk is, en wat ons doet doorgaan ondanks de moeilijkheden, is dat parajuristen zeer trots zijn op hun rol en deze voor niets ter wereld willen laten vallen. Ze zijn essentiële elementen geworden binnen hun gemeenschap en zijn erg trots wanneer hun tussenkomst leidt tot een vreedzame oplossing van een conflict.
>> Lees de getuigenissen van oarajuristen in de brochure Les parajuristes, ambassadeurs du droit auprès des populations tchadiennes («Parajuristen, ambassadeurs van het recht bij de Tjaadse bevolking») (PDF in het Engels)
* Zie over dit onderwerp ook de ASF-studie Gestion des ressources naturelles et gestion des conflits sur les ressources naturelles : quelles améliorations possibles ? («Beheer van natuurlijke rijkdommen en beheersing van conflicten rond natuurlijke rijkdommen: welke verbeteringen zijn mogelijk?») uitgevoerd in de regio’s Mayo Kebbi Ouest, Mayo Kebbi Est en Chari Baguirmi (september 2016)
****
Interview door Victor Odent, landelijk directeur van ASF in Tsjaad.
Wat voorafging: – Gesprek met Mr. Doumra Manassé, advocaat in N’Djamena
Wat volgt: – Gesprek met Pyrrhus Banadji Boguel, voorzitter van het Collectief van Verenigingen voor de Verdediging van de Mensenrechten in Tsjaad – Gesprek met Mr. Guerimbaye Midaye, erevoorzitter van de Tsjaadse Liga voor de Mensenrechten
ASF is sinds 2012 aanwezig in Tsjaad en heeft er samen met justitieactoren op het terrein meerdere projecten, met de steun van de Europese Unie. Deze interviewreeks stelt een doorsnede voor van de verschillende partners van ASF in Tsjaad.
Coverfoto: Mr. Delphine Djiraibe

Tsjaad: justitie in alle staten (1/4)

N’Djamena, 5 november 2018 – Aan de hand van gesprekken met vier persoonlijkheden die zich engageren voor de verdediging van de mensenrechten, brengt ASF u deze herfst een portret van justitie in Tsjaad. Deze week deelt Meester Doumra Manassé zijn visie op de rol van de advocaat en zijn plaats in de Tsjaadse samenleving. “De mensen zien ons als ambtenaren van de staat of als commerçanten. Wij zijn het een noch het ander”. Meester Doumra Manassé (39) is advocaat. Hij groeide op in Bebalem, in het zuiden van het land, voor hij in N’Djamena kwam wonen – waar hij nog steeds praktiseert – om er zijn rechtenstudies aan te vangen. Een enorme uitdaging! Mr. Manassé: Het heeft me 10 jaar gekost om mijn studies af te ronden en mijn master privaatrecht te behalen. Academiejaren kunnen hier tot 20 maanden duren, vanwege de vele stakingen van leerkrachten die de betaling van hun salaris eisen. Het systeem om studenten te evalueren is dan weer vaak arbitrair. Een student die uit dezelfde regio als een professor komt, zal bijvoorbeeld betere punten krijgen dan een collega. Nadat het diploma behaald is, hoe zit het dan met de toegang tot het beroep? Mr. Manassé: Er is geen toelatingsexamen; veel wordt op basis van relaties geregeld. Ikzelf had geen nood aan relaties, ik had het geluk om een stageplek te bemachtigen op het kantoor van Mr. Mahamat Hassan Abakarn. Deze advocaat heeft de Commissie voorgezeten die opgericht was om de 40.000 moorden te onderzoeken die begaan waren onder het regime van Hissène Habré, en die de inschakeling van de Buitengewone Afrikaanse Kamers (“Chambres africaines extraordinaires”) mogelijk maakte. Tevens heb ik de eed kunnen zweren nog geen 5 maanden nadat ik mijn stage was begonnen, terwijl sommigen tot wel 5 jaar moeten wachten. Hoe kijkt de bevolking naar het beroep van advocaat? Mr. ManasséHet beroep van advocaat is algemeen miskend. De mensen zien ons als ambtenaren van de staat of als commerçanten. Wij zijn het een noch het ander. Zelfs magistraten kennen onze rol soms niet! Recent nog heeft een onderzoeksrechter mij uitgezet terwijl ik een cliënt bijstond. Toen ik er een deurwaarder bij riep om het feit vast te stellen dat men mij belette om mijn werk te doen, accepteerde de rechter dat ik aanwezig bleef “op voorwaarde dat ik stil zou blijven tot het einde van de procedure”. En hoe evalueert u het functioneren van justitie in het algemeen? Mr. Manassé: Justitie als instituut heeft haar plaats niet in dit land. In N’Djamena bijvoorbeeld is er geen justitiepaleis. Het « tribunal de grande instance », het parket-generaal… zijn ondergebracht in gebouwen die bestemd zijn als overnachtingsplek voor de adviseurs van het college voor de petroleumcontrole. De lokalen zijn krap, heet, somber… alles is er zo ingericht dat je er niet kan nadenken. Sommige magistraten zijn niet opgeleid en zaaien wanorde in het functioneren van justitie. Velen zijn soeverein noch onafhankelijk. De administratie overschrijdt haar bevoegdheid, moeit zich. Sommige magistraten spelen hun invloed uit om een zaak te winnen. In 2013 heeft de wetgever voor het Ministerie van Justitie de mogelijkheid gecreëerd om in het belang van de wet in beroep te gaan bij het Hooggerechtshof, zonder dat verder verhaal mogelijk is. Dit is manifest onwettelijk. De invoering van de Rechtstaat is nochtans essentieel voor de ontwikkeling in Tsjaad. Wat zijn de uitdagingen waar u dagelijks tegenaan loopt in de uitoefening van uw beroep? Mr. Manassé: Ik ondervind talrijke vormen van tegenwerking van mensen van wie net verwacht wordt dan ze mij helpen in mijn werk, zoals politieagenten of gouverneurs. Corruptie is ook een probleem: ik word regelmatig onder druk gezet en zelfs bedreigd om bepaalde zaken te laten vallen. Gevallen van agressie jegens advocaten, bijvoorbeeld door de familie van de tegenpartij, zijn niet zeldzaam. Ik ben zelf maar nipt onstnapt aan een moordaanslag in Doba en aan een ontvoering bij mij thuis. Van zodra je de waarheid probeert te zeggen en de mensenrechten probeert te verdedigen, wordt het extreem moeilijk. De toegang tot bepaalde plekken is dan weer een andere uitdaging. Een van mij cliënten bijvoorbeeld, werd gearresteerd door de algemenen inlichtingendiensten. Ik heb hem niet kunnen ontmoeten, bij gebrek aan de nodige toelatingen om toegang te krijgen tot het centrum waar hij gedurende een maand was vastgezet, zonder eten. Ik was genoodzaakt om te dreigen met het inschakelen van internationale organisaties om de vrijlating van mijn cliënt te eisen… die veel gewicht had verloren. Tot slot moeten we ook de financiële aspecten niet vergeten: de meerderheid van de Tsjaadse burgers heeft de middelen niet om een advocaat te betalen. Het is dus soms een hele acrobatentoer om de eindjes aan elkaar te knopen en mijn familie te voeden. Wat geeft u de moed om door te gaan? Mr. Manassé: De wil, die ik al altijd heb, om de vele slachtoffers van onrechtvaardigheden in mijn land te verdedigen. Neem nu Jacques Vergès (de Franse advocaat die de nazi Klaus Barbie verdedigde, nvdr). Hier aanvaarden veel mensen niet dat sommige mensen verdedigd worden. Het recht van elk individu om verdedigd te worden is nochtans heilig, net zoals het vermoeden van onschuld zolang er geen oordeel is geveld. De advocaat, verdediger van de mensenrechten? Mr. Manassé: Zonder enige twijfel! Het is zelfs onze voornaamste rol. Zolang mensenrechten geschonden worden, moeten advocaten de eersten zijn om op te staan en nee te zeggen tegen wangedrag. Wij nemen deel aan de opbouw van de rechtstaat en de democratie. ****
Interview door Victor Odent, landelijk directeur van ASF in Tsjaad.
Wat volgt: – Gesprek met Mr. Delphine Djiraibe, voorzitster van het Public Interest Law Centre. – Gesprek met Dhr. Pyrrhus Banadji Boguel, voorzitter van het Collectief van Verenigingen voor de Verdediging van de Mensenrechten in Tsjaad. – Gesprek met Mr. Guerimbaye Midaye, erevoorzitter van de Tsjaadse Liga voor de Mensenrechten.
ASF is sinds 2012 aanwezig in Tsjaad en heeft er samen met justitieactoren op het terrein meerdere projecten, met de steun van de Europese Unie. Deze interviewreeks stelt een doorsnede voor van de verschillende partners van ASF in Tsjaad.
Foto: Mr. Doumra Manassé